Anton Stolwijk en Jamaica Kincaid over de gêne van de Caribische-eilandbezoeker

woensdag, 20 mei 2026 (14:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Anton Stolwijk vertrekt met goede bedoelingen: een toegankelijke geschiedenis van Curaçao schrijven voor Nederlandse lezers. Al snel loopt zijn project tegen hetzelfde ongemak aan dat Jamaica Kincaid twintig jaar geleden scherp benoemde in Zo’n klein eiland — het verschil tussen de paradijselijke indruk die toeristen hebben en de harde realiteit onder die schone schijn.

Stolwijk reconstrueert een eiland waarop eeuwenlange uitbuiting telkens nieuwe gedaanten aanneemt. Koloniale geweldsmomenten en de slavenhandel legden de grondslag; de olie-industrie (zoals Shell) en nu de massale toerisme-economie maakten dat veel winst naar een klein, vaak niet lokaal afkomstig, zakelijk establishment stroomt. Grote families houden land en macht, bewoners werken voor geringe lonen en zien stranden, kades en kuststroken steeds meer voor toeristen worden ingericht — soms met betalende toegang, waardoor plaatselijke bewoners worden buitengesloten.

De toeristische stroom is enorm: ruim een miljoen bezoekers tegenover ongeveer 150.000 vaste inwoners in een recent jaar. Daarbij komt een ‘laptopklas’ Nederlanders die voor kortere of langere tijd emigreert naar een Nederlandstalige, tropische omgeving met bekende winkels en gewoonten. Die nieuwkomers prijzen het klimaat en klagen tegelijk over het eilandleven; hun aanwezigheid is tekenend voor een hedendaagse, neoliberale omgang met het eiland.

Stolwijk worstelt met zijn rol. Lokale bewoners en gesprekspartners zien hem soms als een voorbijfladderende onderzoeker: een ‘fly-by researcher’ die na enkele weken terugkeert met vaststaande conclusies. Een gids noemt hem in een gesprek expliciet ‘‘een snob’’. Die confrontatie dwingt Stolwijk tot zelfkritiek: kan een buitenstaander in korte tijd het ‘echte Curaçao’ vinden? En bestaat dat echte eiland wel los van toerisme en economische belangen?

Culturele symbolen illustreren die spanning. Het boek signaleert hoe helden als Tula — leider van de slavenopstand — zeer zichtbaar kunnen worden in straatnamen en toeristische routes, terwijl instituties die geschiedenis bewaren, zoals lokale musea, vaak wegkwijnen of sluiten uit geldgebrek. Lokale ondernemers reageren verschillend op historisch-ethische vragen: sommige zeggen dat ‘ze vooruitkijken’ en weinig hebben aan geklaag over tweehonderd jaar oude misstanden; anderen benadrukken dat Curaçaoënaars geen Nederlanders zijn, of juist ook wél deel uitmaken van het Koninkrijk — identiteitsvragen die niet eenduidig beantwoord worden.

Ook taal en zelfbeeld spelen een rol: veel lang gevestigde Nederlanders op het eiland spreken geen Papiaments en zien taalgebruik louter als instrument, iets waar echter veel Curaçaoënaars anders tegenaan kijken. Stolwijk erkent zelf dat hij het Papiaments niet spreekt, en dat beperkt zijn toegang tot diepere vormen van begrip.

De vergelijking met Kincaid loopt door het boek heen: toeristische verrukking over blauwe zee en witte stranden staat haaks op verwaarloosde ziekenhuizen, armoede en het systematische wegschrijven van ongemakkelijke geschiedenissen. Stolwijk toont aan dat kennis hebben van die geschiedenis niet automatisch leidt tot begrip; er staat ‘‘een muur’’ tussen Nederlanders en Curaçaoënaars die met goede bedoelingen alleen niet vanzelf is af te breken.

Uiteindelijk is Stolwijks boek minder een definitief verslag dan een oefening in ongemak: het laat zien hoe lastig het is om over andermans verleden te vertellen zonder te vervallen in simplificatie of morele veroordeling. Bezoekers kunnen het eiland bewonderen, zo lijkt de slotgedachte, maar zouden moeten oppassen dat ze zich niet te snel aanmatigen dat ze het ‘echte Curaçao’ doorzien. Nota bene: Curaçao is sinds 2010 een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden — een juridische status die de complexiteit van eilandidentiteit en bestuur toevoegt aan de door Stolwijk beschreven ongelijkheden.