'Antihomowet' van Hongarije discrimineert en schendt basiswaarden EU, eerste keer dat lidstaat daarvoor wordt veroordeeld
In dit artikel:
Het Europees Hof van Justitie heeft voor het eerst vastgesteld dat een EU-lidstaat — Hongarije — de fundamentele waarden van de Unie schendt. Het Hof oordeelt dat de in 2021 ingevoerde zogenoemde 'antihomowet' LGBTQI+-personen stigmatiseren en uitsluiten en daarmee artikel 2 van het Verdrag van de EU overtreedt. Eerder had ook de advocaat-generaal geconcludeerd dat de maatregel discrimineert op grond van geslacht en seksuele geaardheid.
De wet verbood het promoten of afbeelden van genderidentiteit of -expressie die niet met het bij de geboorte vastgestelde geslacht overeenkomt, evenals verwijzingen naar homoseksualiteit op plekken waar minderjarigen kunnen komen. Dit leidde onder meer tot een verbod op kinderboeken met homoseksuele personages en het intrekken van toestemming voor een pride-optocht in Boedapest. De Hongaarse regering rechtvaardigde de regels als bescherming van kinderen tegen blootstelling aan pedofilie; critici noemden het een anti-LGBTQI-wetgeving.
De uitspraak is het resultaat van een procedure van de Europese Commissie, die daarmee gelijk krijgt. Nu ligt de bal bij de Commissie om eventueel financiële sancties op te leggen als Hongarije de wet niet aanpast. De beslissing vormt ook een practische proef voor de beoogde nieuwe premier Péter Magyar en zijn kabinet: het is onduidelijk of zij gehoor zullen geven aan het vonnis.
Belangengroepen waarschuwen dat het intrekken van één wet onvoldoende is; volgens activisten moet ook het bredere juridische kader van discriminatie worden aangepakt, zoals het verbod op wettelijke erkenning van gender en het grondwettelijke verbod op huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht.