Anders dan zijn voorgangers is Trump wél eerlijk over zijn imperiale wensen - maar was die hypocrisie eigenlijk wel zo slecht?
In dit artikel:
8 april 2026 — Het debat over de betekenis van Donald Trumps retoriek en handelen op het wereldtoneel draait om één woord: hypocrisie. Sinds Trump opnieuw op het politieke toneel staat, wordt er breed gediscussieerd of zijn ongekunstelde uitspraken en bruuske buitenlandse politiek iets blootleggen dat altijd al onder het Amerikaanse beleid schuilging, of dat hij juist een nieuw, risicovol hoofdstuk opent. Diverse historici, beleidsanalisten en juristen trekken uiteenlopende conclusies.
Alfred W. McCoy, gerenommeerd historicus van de Universiteit van Wisconsin, stelt dat Amerikaanse macht altijd imperialistisch is geweest en dat eerdere presidenten dat alleen verhulden. Maar in tegenstelling tot wat sommige critici verwachten, ziet McCoy Trumps openheid niet als verhelderend of eerlijk; hij vindt juist dat Trump hypocrisie afbreekt die tegelijkertijd deugden van het internationale systeem beschermde. McCoy wijst op historisch misbruik — van de betrokkenheid van inlichtingendiensten bij drugs en regimes tot steun aan dictatoriale bondgenoten — maar benadrukt dat de façade van liberalisme en internationale instellingen wél positieve effecten had: het leverde legitimiteit, creëerde morele taal en legde remmingen op macht.
Daniel Immerwahr (Northwestern) biedt een verwante maar gespecificeerde invalshoek. In zijn werk over het verborgen Amerikaanse imperium legt hij uit dat veel Amerikaanse presidenten generlei openheid toonden over koloniaal bezit en machtsprojecties; zij presenteerden de VS als gewone democratie terwijl ze wereldwijd bases en protectoraten beheersten. Trump is volgens Immerwahr op sommige punten “eerlijker” omdat hij hardop spreekt over macht en belangen (een voorbeeld: zijn openbaar verband van interventies met olie), maar hij wijkt fundamenteel af doordat hij concrete annexatie-impulsen en een afkeer van traditionele instrumenten van hegemonie heeft. Trump wil soms andere doelen — annexatie, het afstoten van protectoraten, minder bases — waardoor zijn beleid niet simpelweg de oude hypocrisie blootlegt, maar een andere koers inzet.
Verschillende stemmen in de internationale discussie laten zien hoe dubbelzinnig het wegvallen van hypocrisie kan zijn. Sommige waarnemers, zoals de Filipijnse activist Walden Bello en schrijver Kenan Malik, juichen een einde aan huichelarij toe: het zou de realiteit duidelijk maken. Anderen, zoals de Amerikaanse auteur George Packer, missen de oude schijn juist omdat die een bepaalde mate van stabiliteit en zelfbescherming inhield. De Australische Lowy Institute en tijdschrift Internationale Politik Quarterly merken op dat Trumps stijl de façade van leiderschap heeft afgelegd, waarmee zichtbaar wordt wat macht in wezen doet — maar die onthulling schaadt volgens critici ook de zachte dwang die regels en verwachtingspatronen in stand hield.
De rol van hypocrisie in het internationale recht krijgt bijzondere aandacht. Juristen als Robert Knox en de auteurs Sophie Duroy en Luca Trenta betogen dat de vormeloze, georganiseerde hypocrisie die staten vaak hanteren — het publiekelijk beroepen op principes terwijl praktijk vaak anders blijkt — structureel is voor een gedecentraliseerde wereldorde. Die hypocrisie levert, hoe moreel dubbel ook, een gemeenschappelijke taal en een set verwachtingen op die zwakkere staten kunnen gebruiken om machtige landen aan normen te houden. Matias Spektor benadrukt dat het verdwijnen van die façade niet alleen cynisch is, maar ook politieke instrumenten wegneemt waar kleine landen baat bij hadden.
Historisch-filosofische reflecties tonen dat verachting voor hypocrisie diepgeworteld is — van Plato, bijbelse teksten en Dante tot Rousseau en Judith Shklar — maar dat twintigste-eeuwse denkers zoals Freud en hedendaagse politiekfilosofen (Stephen Krasner, David Runciman) de noodzakelijkheid of productieve rol van hypocrisie hebben verdedigd. Krasner sprak over “organized hypocrisy” als praktisch kenmerk van soevereiniteit; Runciman onderscheidde een meedogenloze, maskerende hypocrisie van een maskerende hypocrisie die een moreel frame afdwingt en zo democratische controle mogelijk maakt.
Praktisch-politieke voorbeelden illustreren de spanning. Trumps publieke overwegingen rond een ontvoering van Venezuelaans staatshoofd en opmerkingen over olie, zijn voorstellen over Groenland en zijn onwil om langdurig te steunen op overzeese bases laten zien dat hij niet enkel het masker afneemt maar ook bereid is bestaande spelregels te doorbreken. Juristen wijzen er bovendien op dat het juridisch legitimeren van geweld — of het nu om moordaanslagen of geheime operaties gaat — altijd heeft gefunctioneerd als manier om grenzen te testen en opnieuw vast te stellen wat toelaatbaar is; wie deze rechtvaardigingen weggooit, verliest tegelijk normatief kapitaal.
Sommige commentatoren pleiten expliciet voor herziening van het internationaal recht, zoals de jurist John Yoo, die zelfs betoogt dat de VS regels moeten herschrijven om meer ruimte voor preventief geweld te scheppen. Anderen waarschuwen dat het eenvoudig “eerlijker” worden geen bruikbaar beleidsalternatief is: hypocrisie kan zwartrijden, maar ook dwingen tot het behouden van tenminste schijnbare grenzen.
Concluderend: het artikel presenteert hypocrisie als moreel verwerpelijk, maar politiek paradoxaal en functioneel. Trumps openheid verandert het landschap doordat zij enerzijds sommige leugens wegneemt en de werkelijkheid onthult, en anderzijds de remmen wegneemt die eerder gewelddadiger of expansiever staatsoptreden soms hebben beperkt. Of die ontmaskering de wereld veiliger of gevaarlijker maakt, hangt af van wie de macht heeft en welke institutionele checks — juridische, diplomatieke of coalitiegebaseerde — nog functioneren om excessen te beteugelen.