Andere steden hebben allang een publiek warmtebedrijf: wat houdt Amsterdam nog tegen?

dinsdag, 19 mei 2026 (03:02) - Het Parool

In dit artikel:

Amsterdam gaat stappen zetten richting een publiek warmtebedrijf om meer wijken van het gas te krijgen. Deze versnelling komt er nu energieprijzen weer stijgen door het Midden-Oosten-conflict en na een decemberwet die voorschrijft dat warmtenetten grotendeels in publieke handen moeten komen. Vorige maand tekenden gemeente Amsterdam, Diemen, netbeheerder Alliander en Energie Beheer Nederland een overeenkomst om dit jaar nieuwe buurten te zoeken voor aansluiting en om commerciële netten waar mogelijk over te nemen. Wethouder Zita Pels zei recent tegen Het Parool dat “de markt het niet meer doet”; zij hoopt eind dit jaar een oprichtingsbesluit te kunnen nemen.

Tegelijk waarschuwen ambtenaren voor grote financiële risico’s: een publiek warmtebedrijf kan miljarden kosten en betaalbaarheid is onduidelijk zolang het kabinet geen garanties biedt. Dat vormt een reden voor terughoudendheid bij sommige bestuurders.

In Noord-Europa is publiek beheer van warmtenetten al lang de norm. Kopenhagen, Stockholm, Wenen en andere steden bedienen grote delen van hun bevolking met gemeentelijke netten die relatief betaalbaar en technisch geavanceerd zijn. Analyses van TNO en Stichting Warmtenetwerk wijzen uit dat Deense netten vaak goedkoper zijn door eenvoudiger regelgeving, technisch makkelijker aansluitingen (met veel collectieve aansluitingen in appartementen) en gunstigere financiële condities — plus hoger vertrouwen bij bewoners. Nederland liep achter omdat het land decennia lang kon leunen op goedkoop aardgas en zo andere infrastructuurkeuzes maakte.

Essentieel voor het succes van elk warmtenet is het aantal aansluitingen: hoe meer deelnemers, hoe lager de kosten per aansluiting. Dat geldt voor zowel publieke als private aanbieders. In Amsterdam heeft de slechte reputatie van stadsverwarming — vooral het beeld van hoge prijzen — bijgedragen aan terughoudendheid, waardoor projecten soms stranden. Projectontwikkelaars willen vooraf garanties over kosten en planningen, terwijl warmtebedrijven pas concrete kosten kunnen inschatten als duidelijk is hoeveel aansluitingen er zijn; die wederzijdse onzekerheid blokkeert voortgang.

Internationaal zijn verschillende invullingen te zien: Wenen en Boedapest bedienen honderdduizenden huishoudens, Turijn bedient circa 500.000 mensen en gebruikt warmtekrachtkoppeling en afvalverbranding; Londen experimenteert met restwarmte uit de metro (Bunhill). Amsterdam gebruikt momenteel deels nog aardgas maar wil steeds meer inzetten op afvalverbranding, industriële restwarmte (ook van datacenters), oppervlaktewater (inclusief grachten), warmtepompen en geothermie.

Een specifieke uitdaging vormen oude binnenstadswoningen: slecht geïsoleerde, monumentale panden en beperkte ruimte maken aansluiting en aanleg complex. Onderzoekers van AMS Institute benadrukken de noodzaak van een geïntegreerde, wijkgerichte aanpak waarbij woningrenovatie en energie-infrastructuur gelijktijdig worden aangepakt en beschikbare ruimte efficiënt wordt benut.

Als onderdeel van die aanpak kunnen energiecoöperaties een sleutelrol spelen: ze staan dichter bij bewoners en vergroten het vertrouwen en de bereidheid om collectief aan te sluiten. KetelhuisWG in Amsterdam-West is een voorbeeld: een buurtwarmtenet dat warmte uit het Jacob van Lennepkanaal benut, ondergronds opslaat en met warmtepompen verder opwarmt. Uiteindelijk zal het slagen van een Amsterdams publiek warmtebedrijf vooral afhangen van vertrouwen, financiering en het vermogen om voldoende klanten te verbinden.