Amfibieën in botanische tuin gebaat bij aparte vijvers

zondag, 24 mei 2026 (07:05) - NatureToday.nl

In dit artikel:

De Leidse Hortus botanicus — een tuin die ruim vierhonderd jaar geleden begon en nu meer dan 17.000 planten herbergt — organiseerde eind mei 2026, als onderdeel van Expeditie Stadsnatuur, een amfibieëntelling onder leiding van onderzoeker Ben Wielstra. Onderzoekers en vrijwilligers plaatsten ’s avonds 19 fuikjes in twee amfibieënvijvers en ruimden die de volgende ochtend leeg om gevangen dieren te determineren en te tellen. Doel van de nationale actie is inzicht krijgen in het effect van renovaties op lokale amfibieënpopulaties en de herkomst van uitgezette dieren te achterhalen.

De Hortus deed voor de tweede keer mee met de telling; tussen beide tellingen is de beek tussen de vijvers verdiept, van een nieuwe bodem voorzien en van een pomp voorzien waardoor er stroming is ontstaan. Omdat hiervoor grond verzet moest worden, bestond het risico dat kikkers, padden en salamanders verstoord zouden raken. De gemeten aantallen bleken echter vergelijkbaar met vorig jaar, wat geruststellend is gezien de ecologische rol van amfibieën als natuurlijke bestrijders van onder andere kevers en muggenlarven.

In de visvrije amfibieënvijvers werden onder meer volwassen kleine watersalamanders (Lissotriton vulgaris) en alpenwatersalamanders (Ichthyosaura alpestris) aangetroffen, evenals kikkervisjes van bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo) en vroedmeesterpad (Alytes obstetricans). In totaal werden 76 watersalamanders geteld. De vijvers worden bewust visvrij gehouden; eieren die in visvijvers worden gelegd, worden overgezet om predatie te voorkomen.

Met DNA-barcoding van mitochondriaal DNA bracht Wielstra de herkomst van de alpenwatersalamanders in kaart: deze exemplaren stammen uit Centraal- of West-Europa. Dat sluit aan bij eerdere bevindingen dat alpenwatersalamanders door translocaties door heel Nederland zijn verspreid. Voor de vroedmeesterpad — van nature alleen in Zuid-Limburg voorkomend maar steeds vaker in steden gezien — wordt de herkomst onderzocht via DNA uit huidslijm dat van gevangen larven is afgenomen. Sommige larven waren al ver ontwikkeld; laat uitgekomen larven overwinteren en metamorfoseren vaak eerder in het voorjaar dan kikkervisjes van andere soorten.

Tijdens het veldwerk zijn strikte hygiënemaatregelen gevolgd: alle dieren werden alleen met steriele handschoenen vastgepakt en het materiaal is na afloop ontsmet met Vircon S om verspreiding van schadelijke schimmels te voorkomen.

De nieuwe prefect van de Hortus wil samen met collega’s en vrijwilligers door natuurlijk tuinieren van de botanische tuin een hotspot voor biodiversiteit maken; de telling en DNA-analyse leveren concrete informatie om zulke stedelijke amfibieënpopulaties beter te beschermen en te begrijpen.