Amerikanen betalen de invoerheffingen vooral zelf
In dit artikel:
De Amerikaanse centrale bank (Fed) concludeert dat vrijwel alle nieuwe invoerheffingen die president Trump vorig jaar invoerde, door Amerikanen zelf zijn betaald: ongeveer 90 procent van de kosten belandde bij Amerikaanse bedrijven en consumenten. Trump voerde onder meer een wereldwijde heffing van 50 procent op staal, ijzer en aluminium in en legde na onderhandelingen dit jaar een algemene invoerheffing van 15 procent op producten uit de EU op. Ook gingen tarieven op Chinese goederen kortstondig omhoog naar 125 procent, voordat die na een akkoord weer werden verlaagd. Gemiddeld steeg de invoerbelasting volgens de Fed van 2,6 procent naar 13 procent.
Hoewel invoerheffingen officieel door importeurs worden geïnd, bleek dat exporterende bedrijven zelden hun prijzen genoeg verlaagden om de helft van de last op zich te nemen; daardoor werden Amerikaanse winkelprijzen hoger. De inflatie in de VS liep op: december toonde een jaar-op-jaar stijging van 2,7 procent, in januari 2,4 procent — boven de gewenste 2 procent, maar geen dramatische sprong. Rabobank-analist Philip Marey merkt op dat vooral goederen sterk in prijs stegen en houdt het erop dat zonder de heffingen de inflatie rond 2 procent zou hebben gelegen.
Analisten verwachten dat de grootste effecten het komende halfjaar voelbaar worden; Goldman Sachs stelt dat de meeste heffingen inmiddels zijn doorberekend. Met de tussentijdse verkiezingen later dit jaar is er politiek draagvlak om consumenten-gerichte heffingen te verlagen. Trump verlaagde al tarieven op onder meer bananen en koffie uit Brazilië, en de Financial Times meldt dat het Witte Huis ook overweegt de zware heffingen op staal, ijzer en aluminium te versoepelen of delen van de recent uitgebreide productlijst ervan te schrappen.