Amerikaanse sancties tegen Palestijnse mensenrechtenorganisaties bedreigen de internationale rechtsorde
In dit artikel:
Palestijnse mensenrechtenorganisaties worden door Amerikaanse sancties hard geraakt nadat ze samenwerkten met het Internationaal Strafhof (ICC) bij onderzoeken naar vermeende oorlogsmisdrijven in bezet Palestina. Drie grote ngo’s — het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), Al Mezan en Al‑Haq — kregen in september 2025 beperkingen opgelegd waardoor Amerikaanse personen en bedrijven hen geen geld, diensten of technologie meer mogen leveren; overtreding kan leiden tot tot miljoenenboetes en jarenlange gevangenisstraf. Eerder, in juni 2025, trof dieselachtige maatregelen ook Addameer, dat juridische bijstand verleent aan Palestijnse gevangenen.
De sancties komen bovenop een lange periode van geweld en intimidatie. Sinds de gewelddadige aanvallen van 7 oktober 2023 en de daaropvolgende Israëlische militaire campagnes zijn vele Palestijnse civiele doelen verwoest en tienduizenden mensen omgekomen; ngo’s noemen de omvang van de vernietiging en de humanitaire crisis in Gaza „catastrofaal”. PCHR verloor gebouwen en medewerkers bij luchtaanvallen — een kantoorpand in Gaza‑stad werd in september 2025 weggevaagd — en Al Mezan meldt grootschalige verwoesting van woonwijken en infrastructuur. Medewerkers werken onder constante dreiging: arrestaties, bedreigingen, afluisteren en aanvallen op kantoren behoren tot de realiteit.
De drie ngo’s hadden jarenlang kennis en bewijs aangeleverd bij het ICC. Palestina trad in 2015 toe tot het Strafhof, waarna onderzoekers zich begonnen te verdiepen in beschuldigingen rond nederzettingen, militaire operaties en schendingen van het recht op zelfbeschikking. In 2024 vroeg de ICC‑aanklager aan de rechters arrestatiebevelen uit te vaardigen voor onder anderen de Israëlische premier en minister van defensie; die stappen en het bredere onderzoek vormen de directe aanleiding voor de Amerikaanse maatregel, zo verklaarden Washingtonse functionarissen.
De gevolgen van de sancties zijn praktisch en psychologisch ingrijpend. Banken sloten rekeningen, donaties stokten, software‑ en socialmediaplatforms verwijderden content of steden accounts, en partners — met name Amerikaanse en sommige EU‑instellingen — trokken zich terug uit projecten. NGO‑personeel werkt vaak onbetaald door, waardoor juridisch onderzoek, veldwerk, advocatenkosten en documentatie ernstig belemmerd worden. Organisaties verliezen bovendien toegang tot opgeslagen data en back‑ups, waardoor jaren van dossiers over gevangenen en bewijsvoering in gevaar kwamen.
De sancties volgen op een bredere campagne van delegitimatie en juridische druk. Israëlische instanties en bondgenoten beschuldigen sommige Palestijnse ngo’s van „lawfare” of banden met terrorisme; in 2021 werden meerdere organisaties door Israël als terroristisch aangemerkt, wat de veiligheidssituatie en werkruimte verder aantastte. NGO Monitor en politici in westerse parlementen waren actief in het verspreiden van kritiek op de Palestijnse organisaties, wat ook in Europese hoofdsteden resonantie vond.
Internationaal is er felle verontwaardiging: VN‑instanties, verschillende regeringen en maatschappelijke coalities wijzen de Amerikaanse sancties af. De Coalition for the International Criminal Court (CICC), die organisaties in ruim honderd vijftig landen verenigt, waarschuwt dat de maatregel bedoeld is om de ngo’s uit te schakelen die bewijs en slachtoffers koppelen aan strafprocedures — en dat zonder deze organisaties veel minder zaken bij het ICC zullen belanden. De CICC en de getroffen ngo’s roepen ICC‑lidstaten en de EU op om de sancties publiekelijk te veroordelen, bescherming te regelen voor getroffen rekeningen en personeel, en het juridische instrumentarium te benutten, zoals het „blocking statute”, om EU‑actoren tegen extraterritoriale Amerikaanse wetgeving te vrijwaren.
Het politieke klimaat in Washington speelde mee: na de herverkiezing van Donald Trump werden al in februari 2025 sancties opgelegd aan ICC‑functionarissen, gevolgd door de maatregelen tegen ngo’s die bij het Palestina‑dossier betrokken zijn. Naast financiële restricties hebben ook persoonlijke sancties tegen aanklagers, rechters en een speciale VN‑rapporteur (waaronder reisverboden en bevriezing van rekeningen) de internationale rechtsorde en het internationale mensenrechtenwerk onder druk gezet.
De Palestijnse organisaties benadrukken dat zij ondanks de blokkades blijven doorwerken: het documenteren van misdrijven, juridische hulpverlening en het bijstaan van slachtoffers gaan door, vaak met beperkte middelen en veel persoonlijk risico. Tegelijkertijd waarschuwen zij dat de sancties niet alleen hun bestaan bedreigen, maar ook de mogelijkheid ondermijnen om internationale strafrechtelijke verantwoording af te dwingen. Activisten en advocacy‑groepen in Europa voeren campagne om steun te mobiliseren, maar stuiten op terughoudendheid bij sommige overheden en banken vanwege angst voor Amerikaanse repercussies.
Kortom: Palestijnse mensenrechtenorganisaties proberen onder extreem gevaarlijke omstandigheden door te gaan met werk voor bewijsverzameling en juridische verantwoording, terwijl Amerikaanse sancties hun financiering, samenwerking en digitale infrastructuur lamleggen. De situatie roept bredere vragen op over de bescherming van maatschappelijke organisaties die samenwerken met internationale gerechtelijke instanties en over de bereidheid van westerse staten om die bescherming daadwerkelijk te bieden.