„Amerikaanse presidenten hebben niet zelden een messiaanse gedrevenheid"
In dit artikel:
Veel Amerikaanse presidenten hebben in retoriek en handelen een messiaanse drijfveer laten zien: het geloof dat de Verenigde Staten een bijzondere, door God gegeven taak hebben en dat hun leider die roeping moet vervullen. Die overtuiging blijkt al vanaf de eerste presidenten en komt voort uit een lang cultureel en religieus erfgoed.
De wortels liggen bij de Puriteinen; in 1630 formuleerde John Winthrop tijdens de overtocht naar New England het beeld van de nieuwe kolonie als een "stad op een berg" die een voorbeeldfunctie voor de wereld zou moeten vervullen. Die gedachte — het Amerikaanse exceptionalism — werd later herontdekt en centraal gezet in het politieke discours, vooral na de Tweede Wereldoorlog en tijdens de Koude Oorlog, toen leiders zochten naar een morele legitimatie voor het wereldwijde verzet tegen het communisme.
Al vroeg in de republikeinse geschiedenis legitimeerden presidenten hun gezag met godsdienstige taal. George Washington voegde bij zijn inauguratie de woorden “Zo waarlijk helpe mij God” toe en sprak over de onmisbaarheid van een hogere hulp; Abraham Lincoln beschouwde het ambt als iets dat hem "op de knieën dreef" tijdens de burgeroorlog; Jimmy Carter legde nadruk op gebed en overleg met God bij beleidskeuzes. Tegelijk zagen leiders hun macht als kans of plicht om de wereld te veranderen: William McKinley rechtvaardigde ingrijpen in de Filipijnen deels als een missie om te "beschaven en kerstenen", Woodrow Wilson en Franklin Roosevelt formuleerden wereldvisies die naar een rechtvaardiger internationale orde streefden, en later reed Ronald Reagan de anti-communistische politiek met expliciet messiaanse termen.
Wetenschappers plaatsen dit fenomeen uiteenlopend: Sigmund Freud noemde het al een "messiascomplex" — de overtuiging dat iemand een uitverkoren missie heeft en kritiek afwijst. Historici als Randall Balmer en Gary Scott Smith benadrukken dat veel presidenten wel degelijk een roeping voelden maar niet noodzakelijk zichzelf als messias zagen; anderen hebben hen zo bestempeld, vaak pas achteraf. Sacvan Bercovitch en Perry Miller hebben aangetoond hoe de puriteinse erfenis als moreel narratief werd ingezet in modern Amerika, en dat dat narratief vooral aantrekkelijk werd toen de VS een wereldmacht werden.
Tegelijk waarschuwen onderzoekers dat de oorspronkelijke puriteinse intentie verschilde van latere nationale mythes. Volgens Abram van Engen was Winthrops preek primair een oproep tot gemeenschappelijke solidariteit en christelijke naastenliefde — geen vrijbrief voor materialistische machtspolitiek of het nationalistische "America First"-denken. Critici zien bij Donald Trump een duidelijk andere toon: waar veel voorgangers hun beleid legitimeerden via een morele missie, gebruikt Trump volgens critici een meer zelfverheerlijkende, winstgerichte retoriek die de oorspronkelijke solidariteitsgedachte ondermijnt.
Kortom: de neiging van Amerikaanse leiders om zichzelf en hun land een bijzondere historische missie toe te dichten is diepgeworteld en heeft rhetorische, politieke en religieuze bronnen. Die traditie legitimeert uiteenlopende beleidskeuzen — van idealistische internationale samenwerking tot imperialistische ingrepen — maar de betekenis van die roeping wordt door presidenten en hun opponenten op zeer verschillende manieren ingevuld.