Amerika's eeuwige oorlog tegen zichzelf
In dit artikel:
Björn Soenens analyseert de huidige oorlog in Iran en de bredere Golfregio als een voortzetting van een bekend Amerikaans patroon: sterke, technologisch overweldigende eerste slagen gevolgd door falende politieke consolidatie. Het conflict is op dag dertig nog volop gaande: Amerikaanse en Israëlische vliegtuigen blijven bombarderen, Iran slaat terug met raketten en drones die tot in Tel Aviv en Dubai reiken. President Trump stelde harde deadlines en dreigde met het vernietigen van Iraanse energiecentrales om de Straat van Hormuz te openen, maar verschoof zijn ultimatum meerdere keren om markten en olieprijzen te temperen en extra troepen (onder meer enkele duizenden manschappen van de 82nd Airborne) naar de regio te sturen.
Soenens plaatst het huidige geweld in een lange reeks Amerikaanse interventies die in de eerste fase vaak succesvol lijken—superieure luchtmacht, logistiek en precisiewapens—maar uiteindelijk geen stabiel politiek resultaat opleveren. Hij verwijst naar mislukkingen in Vietnam, Afghanistan, Irak en Libië en naar de versplintering van Syrië, waarbij westerse doelen zoals orde, democratie of een pro-Amerikaanse samenleving zelden haalbaar bleken. De kern van het probleem is volgens hem niet louter uitvoering, maar fundamentele verkeerde aannames: dat militaire macht automatisch politieke wil en maatschappelijke verandering kan afdwingen, en dat buitenlandse samenlevingen zich naar een Washingtons model laten hervormen.
De auteur waarschuwt dat Iran geen blanco terrein is maar een eeuwenoude, trotse beschaving met langdurig wantrouwen jegens het Westen — versterkt door historische gebeurtenissen zoals de coup van 1953 en de revolutie van 1979 — waardoor bombardementen politieke houdingen niet zomaar ombuigen. Ook wijst hij op de geopolitieke en economische nevenschade: de oorlog kost de Amerikaanse belastingbetaler grofweg een miljard dollar per dag, drijft olie- en gasprijzen op, voedt inflatie in het Westen, en creëert geopolitieke winst voor rivalen zoals Rusland en meer bewegingsruimte voor China.
Politiek en diplomatiek ziet Soenens een omkering in de Amerikaanse strategie: waar vroeger sommige landen zich door Amerikaanse aantrekkingskracht lieten leiden, opereert het huidige beleid meer via dwang—sancties, handelsheffingen, het opblazen van verdragen—waardoor bondgenoten vervreemden en het gezag van de VS verzwakt. Trump zoekt een snelle, beslissende overwinning—een “discount oorlog”—maar dat is volgens Soenens illusoir; elke nieuwe president gelooft dat hij het wel zal kunnen afmaken, maar geschiedenis en praktijk tonen anders.
De uitkomst van de huidige confrontatie is voorlopig onduidelijk: vallen van het regime, stoppen van de bommen, vrije doorvaart voor olie of een politieke overeenkomst—geen daarvan ligt dichtbij. Soenens trekt als conclusie dat de structurele fout van Amerikaanse interventies blijft bestaan: het onderschatten van lokale realiteit en het overschatten van militaire maakbaarheid. De opeenstapeling van misrekeningen en het ontbreken van een doordacht eindspel maken ook deze oorlog gevaarlijk, duur en onvoorspelbaar voor de wereldorde.