Ambtenaren geloofden niet in 'dragende motivering' asielnoodrecht
In dit artikel:
Ambtenaren van het toenmalige ministerie van Asiel en Migratie twijfelden sterk aan de onderbouwing die minister Marjolein Faber (PVV) vroeg om staatsnoodrecht in te zetten voor strenge asielmaatregelen. Faber wilde onderdelen van de Vreemdelingenwet buiten werking stellen met een crisisbepaling waarvoor volgens de wet sprake moet zijn van „buitengewone omstandigheden”; de parlementaire toets zou pas achteraf plaatsvinden. Binnen kabinet‑Schoof en bij coalitiepartner NSC bestond veel weerstand: er moest een stevige, draagkrachtige motivering komen om zo’n ingreep te rechtvaardigen.
Op verzoek van de minister probeerden ambtenaren allerlei gevolgen van migratie aan te voeren — van druk op volkshuisvesting, onderwijs en veiligheid tot zorgkosten, tekorten aan gevangenispersoneel en asielopvangkosten — maar concludeerden dat de aangeleverde motivering niet afdoende was. Zij gaven aan dat er geen duidelijk cijfermatig causaal verband te trekken viel tussen aantallen asielzoekers en de ervaren knelpunten, en betwijfelden of de voorgestelde noodmaatregelen de problemen snel zouden oplossen. Voor parlementaire goedkeuring waren volgens hen betere argumenten nodig.
Na intern gesteggel besloot de coalitie de noodroute te laten varen en de maatregelen via gewone wetsprocedures in te dienen; de Eerste Kamer stemde daarover vorige maand. Eén van de twee wetten (de asielnoodmaatregelenwet) faalde uiteindelijk na een draai van de PVV. Het ANP vroeg in november 2024 de ambtelijke motivering openbaar te maken; het ministerie reageerde veel te laat (ruim anderhalf jaar in plaats van de wettelijke anderhalve maand), waarna een rechter in juni 2025 een dwangsom oplegde die kon oplopen tot €15.000.