Altijd, en juist nu, moeten we bereid zijn tot verzet. Wegkijken maakt medeplichtig, schrijft Geert Mak
In dit artikel:
Zestig jaar na zijn dood wordt Henk van Randwijk opnieuw opgehaald als waarschuwende stem: de onderwijzer, dichter en hoofdredacteur van het illegale Vrij Nederland uit de bezettingsjaren groeide uit tot symbool van geestelijk verzet en veldheer van morele scherpte. Van Randwijk sprak vlak na de bevrijding niet alleen tot de menigte op de Dam, hij schreef ook onvergetelijke kronieken die uit de jaren veertig nog steeds resoneren. Zijn boodschap was simpel en hard: vrijheid moet voortdurend verdedigd worden; wegkijken maakt medeplichtig.
De auteur gebruikt Van Randwijk als kapstok om de huidige geopolitieke en morele crisis te bespreken. Een recente Amerikaanse televisieserie — waarin een narcistische vastgoedmagnaat-president met een baanbrekende minachting voor instituties, rechtbanken en wetenschap het Witte Huis transformeert tot eigen project — fungeert hierbij als spiegel voor de werkelijkheid. De beschreven president zet persoonlijke verrijking en spektakel boven staatsbelang, zet familie en zakenpartners in plaats van deskundigen in de buitenlandse politiek en drijft zijn land in een roekeloze oorlog met Iran. Die fictie lijkt steeds minder ver van de realiteit af te staan: politici die leugens normaliseren, expertise wegzetten en met religieuze of messiaanse retoriek militaire escalatie stimuleren.
Die zorg wordt onderbouwd met feiten en analyses: democratie-indexen tonen dat de Verenigde Staten volgens recente V‑Dem-rapporten aanzienlijk afglijden richting autocratische trekken; burgerrechten en gelijkheid hebben in korte tijd enorme terugslagen gekend. Dit ondermijnt bondgenootschappen, verzwakt het onderling vertrouwen binnen NAVO en vergroot het risico dat Europese landen ongewild meegesleurd worden in externe conflicten. Tegelijk zet een Amerikaanse militaire impuls in het Midden-Oosten — met uitlopers tot Cyprus en Turkije en brede economische gevolgen — Europa en de wereld in een staat van geopolitieke onrust.
De analyse plaatst deze ontwikkelingen in een breder historisch en filosofisch kader. De lange periode van relatieve vredestabiliteit sinds 1945 was geen vanzelfsprekendheid maar het product van een internationale orde die mede door Amerikaanse inzet na de oorlog werd opgebouwd. Denkers als Kissinger waarschuwden dat die periode niet eeuwig zou duren; nieuwe grootmachten en herleefde rancunes scheppen spanning. Intellectuelen als Kolakowski, Tony Judt en Hannah Arendt worden aangehaald om te laten zien dat het begrip “het kwaad” geen abstractie is maar een maatschappelijk en psychologisch fenomeen: normalisatie, zelfgenoegzaamheid en ontkenning maken mensen vatbaar. Arendt wees op de gevaren van morele desintegratie wanneer burgers hun persoonlijke verantwoordelijkheid inruilen voor volgzaamheid.
De schrijver noemt ook binnenlandse oorzaken van verzwakking: secularisering en vooral het neoliberale tijdperk hebben volgens hem het gemeenschappelijke morele kader uitgehold. De burger veranderde van actieve medeburger in consument; politieke keuzes werden gereduceerd tot meetbare economische parameters, en waarden ten bate van marktlogica opzijgezet. In zulke omstandigheden gedijen polariserende leiders die volgers veranderen in aanhangers of sekte-achtige groepen, waardoor democratische discussie stukloopt.
Praktische gevolgen zijn zichtbaar: politici die zich gedienstig tonen aan de publieke opinie in plaats van haar te vormen, het sluiten van grenzen aan zwakken, het stilzwijgen over misstanden van bondgenoten, en een algemeen verlies aan vertrouwen dat de stabiliteit van instituties aantast. De schrijver waarschuwt expliciet dat Europese veiligheidsbelangen — van Oekraïne tot de NAVO‑verplichtingen — hierdoor kwetsbaar worden.
Tegelijk blijft er ruimte voor hoop en handelingsperspectief. De “resonantieruimte” van de samenleving — gemeenschappelijke verhalen, vertrouwen en gedeelde normen — moet worden hersteld. Dat vraagt actieve betrokkenheid van burgers, politici en instituties: moreel leiderschap dat durft te sturen in plaats van alleen maar te volgen, steun aan onafhankelijke journalisten en maatschappelijke organisaties die onder moeilijke omstandigheden blijven rapporteren en hulp bieden, en kleine dagelijkse daden van moed en solidariteit. Historische voorbeelden van individuele weigering om mee te doen met onmenselijkheid worden opgeroepen als model: iedere generatie draagt verantwoordelijkheid en moet bereid zijn tot verzet.
Kortom: vrijheid is fragiel en veroverd met offers; wie denkt dat institutionele stabiliteit permanent is, onderschat de krachten die normalisatie van geweld en erosie van democratie in de hand werken. De oproep is duidelijk en dringend: blijf waakzaam, herstel het draagvlak van gemeenschappelijke waarden en wees bereid tot verzet — moreel, politiek en civiel — om te voorkomen dat de ideeën en praktijken die vrije samenlevingen dragen verder wegslijten.