Als vertaler flitsen je ogen heen en weer, met bar weinig houvast
In dit artikel:
In aanloop naar de uitreiking van de Europese Literatuurprijs reflecteert vertaler Michal van Zelm op de onzekerheid die aan het vertalen van boeken voorafgaat. Vertalers krijgen meestal een pdf van de Nederlandse uitgever, in de veronderstelling dat dit de definitieve versie van het oorspronkelijke boek is. Die aanname blijkt echter niet altijd juist.
Van Zelm illustreert dat aan de hand van Asta Olivia Nordenhofs roman *Het duivelsboek*. De pdf die hij ontving, leek een voltooide drukproef, compleet met snijlijnen en exportgegevens. Toch krijgen vertalers soms een ongecorrigeerde versie toegestuurd en ontdekken ze dat pas tijdens het vertalen, bijvoorbeeld door dubbele woorden, afwijkende spelling of andere fouten. Ook schrijvers leveren niet altijd errata of antwoorden op vragen van eerdere vertalers mee. In de uitgeverswereld lijkt het stilzwijgende uitgangspunt te gelden dat een gedrukt boek vanzelf een betrouwbare, afgeronde tekst is.
Bij oudere werken is die onzekerheid nog groter. Een recente heruitgave kan zijn overgetypt of via OCR gedigitaliseerd, processen die respectievelijk weglatingen en merkwaardige leesfouten kunnen veroorzaken. Vergelijking met eerste of latere drukken laat geregeld zien dat in de loop der jaren fouten in de tekst zijn geslopen. Een vertaling kan daardoor soms nauwkeuriger of completer worden dan de editie waarop zij is gebaseerd. Toch wordt er zelden expliciet besproken welke tekstversie als uitgangspunt dient.
Volgens Van Zelm is de veronderstelde echtheid van een boek sowieso een illusie. Een vertaling is geen een-op-eenoverzetting, maar een nieuwe tekst die met grote zorg wordt gemaakt. Nederlandse vertalers worden daarbij ondersteund door collega’s, meelezers, redacteurs, persklaarmakers en correctors. De naam van de vertaler op het omslag benadrukt bovendien dat een vertaling tegelijk verbonden is met de oorspronkelijke auteur en een zelfstandige creatie vormt.
Het dagelijkse vertaalwerk blijft ondertussen opmerkelijk eenvoudig. De vertaler plaatst de pdf naast een tekstverwerker en gebruikt woordenboeken, encyclopedieën en online databanken. Sommigen plakken de brontekst in hun document, anderen werken met het papieren boek naast het scherm. Beide methoden vragen voortdurende oplettendheid: regels kunnen door de opmaak verspringen, zinnen worden gemakkelijk overgeslagen en de vertaler moet steeds terugkeren naar eerdere passages om verwijzingen, nuances, ritme en stijl beter te doorgronden.
Daarna volgen meerdere correctierondes met meelezers en redacteurs. Die intensieve vorm van lezen is volgens Van Zelm essentieel voor de kwaliteit van een vertaling. Hij plaatst daar de opkomst van CAT-tools en kunstmatige intelligentie tegenover. Deze programma’s zijn vooral ontwikkeld voor technisch vertaalwerk en presenteren tekst in losse segmenten, vaak met machinevertalingen en automatische suggesties. Daardoor dreigt het gevoel voor de samenhang en de ‘heelheid’ van een literaire tekst verloren te gaan.
Van Zelm pleit daarom niet voor volledige automatisering, maar voor betere, bescheiden hulpmiddelen. Een systeem dat verschillende tekstversies overzichtelijk naast elkaar toont, zou vertalers en redacteurs helpen om wijzigingen, fouten en verbanden sneller te herkennen. Dat kan de kwaliteit en efficiëntie verhogen zonder het literaire werk te reduceren tot een mechanisch proces. Tegelijk zou zo’n hulpmiddel de misleidende aanname wegnemen dat de toegestuurde pdf zonder meer dé definitieve versie van een boek is.
Vandaag Inside: Jesse Klaver tegen Wilfred Genee In de Wandelgangen: 'Dat ga ik je hier niet zeggen!'