"Als op de Ark van Noach maar geen Hantavirus uitbreekt, of godbetert: mond- en klauwzeer"
In dit artikel:
Jan Bennink, schrijver en dichter, werd door De Andere Krant gevraagd om te speculeren over hoe de wereld eruit zal zien nadat het huidige “wankelende wereldrijk” instort. In plaats van een strak toekomstbeeld te schetsen, waarschuwt hij vooral voor onvoorspelbaarheid: de tijd presenteert zich als een waterige brij waaruit nauwelijks wijsheid valt te winnen.
Bennink vergelijkt hedendaagse omstandigheden met de denkwereld van vroegere grootheden — van Rousseau en Nietzsche tot Hobbes, Bacon en Orwell — en stelt dat die denkers weliswaar grootse visies ontwikkelden, maar nooit hoefden af te rekenen met de grilligheid van onze realiteit. Hun utopieën en dystopieën zijn deels uitgekomen, deels niet, en vaak door elkaar heen; ideeën hebben niet één lijn gevolgd maar simultaan en soms tegenstrijdig uitgewerkt. Orwell’s 1984 wordt bijvoorbeeld vaker als waarschuwing dan als exacte voorspelling herkend, maar bepaalde elementen lijken wel op te lichten in het huidige bestel.
In zijn beeldspraak schildert Bennink de toekomst als een ooit keurige ijssalon met talloze smaken die door hongerige beren overhoop is gehaald: ideale wereldbeelden passen niet meer netjes in bakjes maar liggen vermengd en gesmolten op de vloer. Die metafoor staat voor een wereld waarin politieke systemen, filosofieën en crises elkaar overlappen zonder duidelijke richting.
Bennink weigert daarom een vaste voorspelling te doen; de actualiteit schuift van ramp naar ramp — van ‘wereldbrand’ naar ‘tsunami’, van oude gruwelen naar nieuwe ziekten — en maakt ieder heldere reconstructie onmogelijk. Zijn tekst is minder een plan voor de toekomst dan een literaire reflectie: een attent, sceptisch commentaar op het einde van grote verhalen en de chaotische mengeling van ideeën en gebeurtenissen die hun plaats opeisen in de wereld na het verval van het oude rijk.
Het Oranje Café: Wat wil Maurice Steijn gaan doen na zijn vertrek bij Sparta? 'Het liefst...'