'Alles wat we zagen had zoveel, wat is het, talent voor het leven'

woensdag, 3 juni 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Op een boot naar een afgelegen eiland observeert de verteller een man met verrekijker die vogels telt en merkt dat hij zelf meer naar die man kijkt dan naar de vogels. Op de kade en het strand treffen ze een groep gepensioneerden aan met jassen waarop “mammals” staat gedrukt; later zitten de verteller en twee vrouwen op een zachtroze granieten plateau met de zee onder zich. Door toedoen van die vrouwen kijkt de verteller voor het eerst ook door een verrekijker en leert soorten herkennen — onder andere bontbekplevier en Jan van Genten, van wie men uitlegt dat hun schedel- en hersenstructuur het duiken op zee opvangt.

Tussen die observaties speelt een filosofische laag: in een gesprek met sinoloog Kristofer Schipper wordt het taoïstische idee aangehaald dat de wereld spontaan is ontstaan, volmaakt zoals ze is en niets nodig heeft dat wij eraan toevoegen. Die gedachte vormt de kern van de ervaring op de rots: verwondering, jaloezie richting de vogels die volledig in hun bestaan opgaan, en het besef dat mensen als laatkomers moeten aansluiten. Kleine details — een portemonnee vol twintigpondbiljetten die onmisbaar lijkt en toch absurd — onderstrepen de conclusie dat menselijke ingrepen hier overbodig zijn. Het stuk verbindt natuurwaarneming met een ethiek van bescheidenheid en het accepteren van de wereld zoals ze spontaan is.