Al te makkelijk leidt het West-Europese schuldgevoel over het koloniale verleden tot vergoelijking van de huidige misdaden van Rusland en Iran
In dit artikel:
In een briefwisseling van 19 augustus 2026 onderzoeken schrijver Thor Rydin en publicist Yaghoub Sharhani hoe westerse zelfkritiek kan omslaan in begrip voor autoritaire regimes. Aanleiding zijn debatavonden in Nederland over Rusland en Europese veiligheid, waar volgens Rydin geregeld wordt gevraagd of het Westen, de NAVO of het kolonialisme Russische agressie niet mede hebben veroorzaakt. Die vragen zijn op zichzelf legitiem, maar kunnen volgens hem ontaarden in het bagatelliseren van Russisch geweld en het negeren van de veiligheidservaringen van Oost-Europeanen.
Rydin beschrijft hoe Moskou profiteert van een Europees schuldgevoel en van rechts-populistische polarisatie. Russische propaganda stelt het Westen voor als de werkelijke veroorzaker van oorlog en onderdrukking, terwijl Rusland zelf als slachtoffer wordt neergezet. Vooral in West-Europa, waar veel mensen de dreiging van Rusland niet dagelijks ervaren, kan dat verhaal aanslaan. Rydin waarschuwt dat historische verantwoordelijkheid niet mag worden verward met politieke schuld voor de daden van andere machthebbers.
Sharhani herkent dit mechanisme uit discussies over Iran en het Midden-Oosten. Na de dood van ayatollah Ali Khamenei kregen Iraans-Nederlandse mensen die daar opluchting over voelden het verwijt marionetten van Washington of Israël te zijn. Ook bij pro-Palestijnse demonstraties zag hij steun voor Iraanse of Hezbollah-symbolen en hoorde hij dat Iraanse onderdrukking vooral een gevolg van westerse sancties en inmenging zou zijn. Volgens Sharhani maakt het Iraanse regime gebruik van terechte woede over Gaza om eigen repressie en regionale agressie buiten beeld te houden.
Hij noemt dit ‘omgekeerd oriëntalisme’, een begrip dat teruggaat op de Syrische filosoof Sadiq Jalal al-Azm. Klassiek oriëntalisme stelt dat mensen buiten het Westen niet zelfstandig of rationeel kunnen handelen en daarom westerse voogdij nodig hebben. Omgekeerd oriëntalisme lijkt die houding te bestrijden, maar verklaart het handelen van niet-westerse samenlevingen uitsluitend als reactie op het Westen. Daardoor verdwijnen hun eigen politieke keuzes, interne conflicten en verantwoordelijkheid uit beeld. Volgens Sharhani worden stemmen uit Iran, Syrië en Oost-Europa die niet in dat schema passen, juist genegeerd.
Rydin illustreert dat met een Syrische vriend die in Zweden asiel kreeg nadat hij door het regime van Bashar al-Assad was gemarteld. Hij begreep niet waarom Zweedse, overwegend linkse vrijwilligers vooral kritisch waren op Europa en nauwelijks spraken over de misdaden van Assad. Rydin noemt een uitsluitend op het Westen gericht schuldgevoel uiteindelijk narcistisch: de eigen historische misstappen blijven centraal staan, waardoor de verantwoordelijkheid van anderen wordt verhuld.
Beiden benadrukken dat postkoloniale zelfkritiek belangrijk blijft voor democratie, beleid en morele gevoeligheid. Maar die kritiek moet worden aangevuld met een ‘post-autoritaire’ benadering, waarin ook de invloed van dictaturen, binnenlandse repressie en niet-westerse machtsprojecten wordt onderzocht. Sociologen en denkers als Sari Hanafi, Hamid Dabashi en Kamran Matin waarschuwen dat een simpele tegenstelling tussen West en niet-West geen recht doet aan de werkelijkheid. Iran bouwde bijvoorbeeld milities op in Irak, Libanon en Jemen en steunde Assad in Syrië; China en Rusland oefenen eveneens vormen van economische of politieke overheersing uit die in West-Europese analyses niet altijd als imperialisme worden herkend.
De schrijvers signaleren bovendien een ‘toegeeflijkheidskloof’: principes die men tegenover Europese extreemrechtse bewegingen streng toepast, worden tegenover Iran, Rusland of China soepeler gehanteerd omdat die regimes als tegenstanders van het Westen gelden. Sharhani vat dat samen als het gevaar van ‘anti-ons, dus goed’. De oorlog in Gaza kan volgens hem niet dienen als reden om de Iraanse repressie, de misdaden van Hamas of de agressie van andere machthebbers te vergoelijken.
Hun conclusie is dat zelfkritiek en zelfverdediging naast elkaar kunnen bestaan. Europese landen kunnen koloniale misstanden blijven onderzoeken, Israëlische misdaden in Gaza veroordelen en tegelijk Russische en Iraanse propaganda bestrijden, diplomaten uitwijzen of sancties opleggen. Werkelijke solidariteit met Palestijnen, Oekraïners, Iraniërs of andere onderdrukte bevolkingen vereist volgens Rydin en Sharhani dat geen enkel regime een vrijbrief krijgt en dat autoritaire leiders nooit door westers schuldgevoel worden vrijgepleit.
Vandaag Inside: Dave Maasland tegen Jesse Klaver: ‘Zet ondernemers niet steeds weg als een zak met geld’