Akkerbouwer legt in 4 minuten uit waarom je eten zo duur is (en steeds duurder wordt)
In dit artikel:
Akkerbouwer en politica Jolanda Nooijen trekt in een korte video fel van leer tegen het huidige natuur- en waterbeleid en legt de link met stijgende voedselprijzen. Haar kritiek spitst zich toe op de waterschappen: die zouden, door veel bestuurders die ook lid zijn van natuurverenigingen, publieke middelen inzetten voor het aanleggen van nieuwe natuur in plaats van voor hun wettelijke kerntaken — veilige dijken, schoon drinkwater en goed rioolbeheer. Volgens Nooijen leidt dat tot hogere kosten en productieverlies bij boeren, die de rekening uiteindelijk bij de consument terechtzien.
Nooijen wijst erop dat Nederland structureel tekortschiet bij de Kaderrichtlijn Water van de EU. Ze betoogt dat meanderen en het creëren van extra natuur het waterkwaliteitsprobleem niet oplossen zolang de vervuilingsbronnen — riooloverstorten, foutaansluitingen en verouderde rioolstelsels — niet worden aangepakt. Nieuwe natuurplannen zouden juist afgeronde prioriteiten weghalen van noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan essentiële infrastructuur.
Praktische gevolgen voor agrariërs zijn volgens haar concreet: slecht waterpeilbeheer tijdens hitteperioden veroorzaakt gewasschade, terwijl boeren geconfronteerd worden met steeds strengere voorschriften die zij niet hebben helpen bepalen. Dit knijpt marges dicht en drijft kwetsbare bedrijven naar faillissement. CBS-cijfers over sterk gestegen voedselprijzen worden door Nooijen gebruikt om te waarschuwen dat verregaande regulering en het verdrijven van boeren uiteindelijk tot importafhankelijkheid en hogere kosten voor consumenten leiden.
Ze benadrukt ook de ruimtelijke realiteit van Nederland: een dichtbevolkte, hooggeorganiseerde delta met beperkte ruimte voor natuur, voedselproductie, woningbouw en industrie tegelijk. Beleidsmodellen uit uitgestrektere landen worden hier volgens haar te makkelijk gekopieerd, terwijl het Planbureau voor de Leefomgeving al eerder waarschuwde dat grote gebiedsambities conflicteren met andere ruimtelijke opgaven.
De bredere kritiek is dat politiek en bestuur vaak kiezen voor abstracte groene ambities en lobbybelangen, waardoor onderhoud aan bruggen, wegen en riolen blijft liggen. Nooijen ziet dit als een structureel probleem: zolang bestuurders meer praten over hectares natuur dan over wie morgen brood op tafel zet, groeit de kwetsbaarheid van de voedselvoorziening.
Kortom: Nooijen signaleert een beleidsknoop waarin prioriteiten verschuiven van basisinfrastructuur en bronaanpak naar grootschalige natuurplannen, met directe economische en maatschappelijke gevolgen voor boeren en consumenten. Om het probleem effectief aan te pakken, suggereert de analyse impliciet een terugkeer naar brongerichte vervuilingsbestrijding en investeringen in onderhoud en infrastructuur, gecombineerd met realistischer ruimtelijke afwegingen voor Nederland.