Afordia (57) uit Nigeria: Ik moest eerst vergeven voor mijn gebeden werden gehoord
In dit artikel:
Ik groeide op in Mubi, een stad in het noordoosten van Nigeria, zegt een vrouw die op 29 oktober 2014 getuige werd van een brute aanval van Boko Haram op haar gemeenschap. Die dag viel de terreurgroep de stad aan omdat veel inwoners christen zijn. Tijdens de vlucht uit de stad belandde haar gezin in een hinderlaag; haar man werd door strijders uit de auto gesleurd, gevraagd of hij moslim was en vervolgens op de grond gebeden — waarna hij met vijf schoten werd gedood. Zijzelf werd eveneens terzijde gebracht, maar iemand greep in en beval de strijders haar met de auto te laten rijden; later kon zij te voet en uiteindelijk op een motor naar veiligheid vluchten, samen met haar jongste zoon van tien die ze die dag terugvond.
In de eerste uren en dagen leefde ze in doodsangst en grote onzekerheid over het lot van haar andere kinderen; pas een week later, na een bezoek aan een dokter in Yola (de staatshoofdstad), kon ze rust vinden en werden ook haar kinderen weer bij haar gebracht. De eerste reactie was boosheid en wanhoop: zij vroeg God waarom Hij dit had toegelaten. Na verloop van tijd koos ze ervoor haar moordenaars te vergeven — iets wat ze als keerpunt ervoer: pas na het vergeven voelde ze dat haar gebeden werden beantwoord en kon ze innerlijke rust vinden.
De omgeving bracht nieuwe pijn: haar schoonfamilie beschuldigde haar aanvankelijk ervan haar man aan zijn dood te hebben geholpen door hem te hebben opgebeld. Alleen na verloop van tijd erkenden zij dat zij niet schuldig was; de vrouw bleef rouwend en onwillig om opnieuw te trouwen. Ongeveer een jaar na de moord kreeg ze troost in een droom waarin ze haar man in de hemel zag, tussen miljoenen mensen in witte kleding, wat haar overtuiging versterkte dat hij vrede heeft gevonden en dat zijn dood niet zonder betekenis was.
Zorg en professionele traumaverwerking heeft ze niet gehad; in plaats daarvan put ze kracht uit geloof, bijbellezen en het delen van haar verhaal. Ze haalt troost uit het voorbeeld van de vroege discipelen (zoals beschreven in Handelingen), die ondanks martelingen doorgingen met het verkondigen van het Evangelie. Haar persoonlijke conclusie is dat vervolging een onvermijdelijk gevolg kan zijn voor wie het christelijk geloof serieus draagt, en dat geestelijke voorbereiding — bidden, bijbellezen en zonden vermijden — helpt stand te houden. Ze leert haar kinderen hetzelfde: vasthouden aan het geloof dat hun vader predikte, ook als het moeilijk wordt.
Tegen anderen die door haar verhaal worden geraakt, zegt ze dat vlucht niet de oplossing is; volgens haar levert confrontatie met lijden juist het verlies van angst op. Haar overtuiging is dat Boko Haram wel het lichaam kan doden, maar niets kan doen tegen de geest die door God wordt bewaard. Het delen van haar getuigenis dient haar als verwerking en als middel om aandacht en gebed voor vervolgde christenen te mobiliseren.
Context: Boko Haram staat bekend om gewelddadige aanvallen op civiele bevolking in het noordoosten van Nigeria, waarbij mannen vaak worden gedood en vrouwen ontvoerd of seksueel misbruikt. Het verhaal van deze vrouw illustreert de directe menselijke kosten van die terreur, maar ook hoe persoonlijk geloof en vergeving vastepalen kunnen worden in rouwverwerking en maatschappelijk getuigenis.