Achter de repressie lonkt een vrij Iran
In dit artikel:
In Iran trekken in ongekende aantallen mensen de straat op; de protesten begonnen op 28 december in Teheran uit onvrede over torenhoge inflatie, maar zijn sindsdien uitgegroeid tot een veel ruimere opstand tegen het regime. Door internetstoringen en het buitenhouden van buitenlandse journalisten is het moeilijk een compleet beeld te krijgen, maar mensenrechtenorganisatie HRANA meldt op basis van beelden en verslagen minstens 544 doden — vrijwel allen demonstranten — en ontvangt nog meldingen die onderzocht worden. Er circuleren beelden van lijkzakken in de straten en artsen rapporteren slachtoffers die zijn overleden aan zware mishandeling.
Aanvankelijk reageerden de hoogste leiders terughoudend en leken zij bereid te luisteren, mogelijk uit vrees voor internationale repercussies na de recente confrontatie met Israël. Die terughoudendheid is echter verdwenen: het gerechtshof bestempelt demonstranten als bondgenoten van de VS en Israël en zet in op harde straffen; de doodstraf wordt genoemd. Enkele duizenden mensen zouden zijn opgepakt, maar exacte aantallen en mogelijke veroordelingen blijven onduidelijk. De retoriek roept herinneringen op aan de snelle repressie na de islamitische revolutie van 1979.
Internationaal en binnenlands wordt gespeculeerd over een mogelijk einde van de islamitische republiek na bijna 47 jaar. Reza Pahlavi, zoon van de sjah, steunt de opstandelingen vanuit de VS en zegt terug te willen keren. Voor de grote ondergrondse christengemeenschap in Iran — geschat tot een miljoen gelovigen, plus honderdduizenden in het buitenland — zou een val van het regime het einde van jarenlange vervolging kunnen betekenen en ruimte geven om openlijk te geloven. Hoe de situatie zich ontwikkelt blijft zeer onzeker en vol risico's voor de demonstranten.