Aan kinderen wordt grof geld verdiend. Wie betaalt de rekening? Moeders en wanhopige wensouders
In dit artikel:
Voormalig Zuidas-consultant en auteur Sophie van Gool beschrijft in haar nieuwe boek Je kind is een goudmijn hoe de geboorte- en opvoedfase van gezinnen steeds meer wordt gecommercialiseerd en waarom dat vooral nadelig is voor vrouwen. Vier jaar na haar eigen moederschap ontdekte ze wat zij noemt de "moedereconomie": een systeem waar aan kinderen en het zorgen rond kinderen veel geld te verdienen valt, terwijl moeders meestal de onbetaalde kosten dragen.
Van Gool signaleert twee fasen van commercialisering. Voorafgaand aan de zwangerschap is er een groeiende markt rond vruchtbaarheid: social freezing (eicellen invriezen) kost al snel rond de €10.000 zonder medische indicatie, opslagjaarprijzen bedragen in Nederland circa €150, in andere landen veel meer. IVF, internationale handel in zaad- en eicellen en betaalde draagmoederschap maken de kinderwens tot een commerciële sector. Door het verbod op anonieme donatie in Nederland (2004) is er donorentekort; veel wensouders bestellen zaad uit Denemarken (Cryos) waar profielen, extra foto’s en kwaliteitskeuzes flink duurder kunnen uitpakken — tot duizenden euro’s of zelfs tienduizenden voor exclusieve donoren. Dat creëert risico’s: moeilijk te verifiëren afkomst van materiaal, ethische vragen en concrete gevaren, zoals een recent geval van een Deense donor met een ernstige genetische afwijking die aan honderden kinderen in Europa gerelateerd bleek.
Tijdens de opvoedingsfase wijst Van Gool op de hoge kosten en private winst in de kinderopvang. Nederland heeft een van de duurste opvangsystemen van Europa; twee derde van de kosten wordt door de belastingbetaler gedragen, terwijl investeerders en grote exploitanten (bijv. Partou) grote winsten boeken. Tegelijk ontvangen pedagogisch medewerkers, grotendeels vrouwen, vaak slechts net boven minimumloon. Dit systeem drijft ouders – en voornamelijk moeders – naar afhankelijkheid: zij werken vaker minder, verdienen minder en bouwen minder pensioen op. Volgens het CBS daalt het inkomen van vrouwen na de geboorte van het eerste kind gemiddeld met 35 procent; vaders profiteren meestal niet van deze “babyboete” en kunnen soms zelfs financieel vooruitgaan.
Van Gool belicht ook culturele en digitale dimensies: influencers die geld verdienen met het moederschap verdienen bewondering maar ook kritiek, omdat zij vaak traditionele rolpatronen bevestigen en de privacy van kinderen opofferen voor inkomsten. Ze waarschuwt dat veel gedeelde content permanent online blijft en later nadelige gevolgen kan hebben voor kinderen.
Als antwoord pleit Van Gool voor structurele veranderingen: kinderopvang moet als een collectieve voorziening worden gezien en (deels) publiek gefinancierd of ondergebracht bij het onderwijs, in plaats van een markt waarin private partijen winst maximaliseren. Daarnaast moeten vaders substantieel meer zorgtaken op zich nemen; verlengde kraam- en ouderschapsverlof alleen verandert de rolverdeling niet automatisch. Ze blijft sceptisch over recente beleidsplannen voor gratis opvang zolang die maatregelen het privaatbelang en de investeerderspositie niet fundamenteel raken.
Het boek Je kind is een goudmijn presenteert zo een combinatie van feiten, ethische bezorgdheden en beleidskritiek: de commerciële uitbuiting van de kinderfase versterkt economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en roept vragen op over toezicht, verantwoordelijkheid en de publieke waarde van zorg.