Aan de grens met Noord-Korea is de dreiging constant voelbaar. 'Ik moet maar vertrouwen op het leger'
In dit artikel:
Op de kleine Zuid-Koreaanse eilanden langs de grens met Noord-Korea is het dagelijkse leven voortdurend gekleurd door militaire dreiging, al reageren bewoners daar zeer verschillend op. Yeonpyeong, één van de meer dan drieduizend Zuid-Koreaanse eilanden en slechts tien kilometer van het Noord-Koreaanse vasteland gelegen, herinnert scherp aan die spanning: in november 2010 verwoestte een Noord-Koreaans bombardement dertig gebouwen en kostte het vier mensen het leven. Veel eilandbewoners werden toen tijdelijk geëvacueerd; later keerde de overheid met nieuwbouw en subsidies terug om de bevolking te behouden.
De auteur bezocht Yeonpyeong, Ganghwa en Gyodong, eilanden die vanaf het vasteland in een paar uur per boot of via brug bereikbaar zijn en die door hun ligging letterlijk oog in oog staan met Noord-Korea. Op heldere dagen zijn Noord-Koreaanse dorpen, propaganda-obelisken en vlaggen zichtbaar; aan weerszijden van de grens staan luidsprekers die decennialang boodschappen en muziek uitwisselden. Na incidenten met onder meer zogenoemde poepballonnen in 2024 werden de luidsprekers tijdelijk weer ingezet, maar in augustus verwijderde de nieuwe Zuid-Koreaanse president Lee Jae-myung de Zuid-Koreaanse installatie als handreiking aan Pyongyang.
Militairiteit is alomtegenwoordig: veel jonge mannen vervullen hun verplichte dienstplicht met posten aan de frontlinie; op Yeonpyeong zijn militaire bases en schuilkelders duidelijk zichtbaar. Tegelijkertijd zijn er grote verschillen in beleving van de dreiging. Oudere bewoners en vluchtelingen uit het noorden spreken van een aanhoudende, sluimerende angst en vertrouwen op het Zuid-Koreaanse leger. Dorpshoofden benadrukken trots over hun positie als ‘voorpost’. Anderen, vooral veel jongeren en sommige stedelingen, relativeren of bagatelliseren het gevaar: ze wijzen op Noord-Korea’s economische problemen, gebrek aan brandstof en slecht gevoede strijdkrachten, of zien Seoul — met 25 miljoen inwoners op circa 60 kilometer afstand — als het logischer doelwit, niet hun eilanddorpjes.
Die generatiekloof blijkt ook uit enquêtes en interviews: jongere Zuid-Koreanen tonen minder enthousiasme voor hereniging en ervaren de noorderbuur vaak niet als directe bedreiging. Psychologen en onderzoekers verklaren dat dit deels een copingmechanisme is: bij langdurige dreiging zoekt men psychische stabiliteit en ontkent men gevaar om het eigen leven te kunnen voortzetten. Tegelijkertijd vormt het bezit van nucleaire wapens door Noord-Korea (geschat rond vijftig bommen) wél een geopolitieke realiteit, en eerdere diplomatieke impulsen — zoals ontmoetingen tussen Kim Jong-un en Donald Trump — leverden geen substantiële ontwapening op.
Cultureel en economisch leven gaat door ondanks de schaduwen van de grens. Ganghwa trekt binnenlandse dagjesmensen die het landelijke Zuid-Korea van weleer willen zien; markten en restaurants serveren ook gerechten met recepten uit Noord-Korea. Gyodong herbergt een relatief grote gemeenschap van Noord-Koreaanse vluchtelingen en activisten die juist toenadering en verbeterde betrekkingen nastreven. Kunstenaars en schrijvers (bijv. Keum Suk Gendry-Kim) proberen via literatuur en beeldverklaring inzicht te geven in het noorden en de gedeelde geschiedenis, wat soms controverse oproept.
Praktische kwetsbaarheden blijven: schuilkelders zijn beperkt, civiele infrastructuur zoals bruggen kan doelwit zijn, en een aanval op Seoul zou humanitair catastrofaal zijn. Ondanks verschillen in perceptie blijft de dagelijkse realiteit van de grensregio een mengeling van normale levenspraktijken, lokale trots en voortdurende paraatheid — een samenleving die geleerd heeft te leven met de nabijheid van een potentiële vijand, terwijl ze probeert gewone routine en toekomstplannen niet te laten bevriezen.