75 jaar televisie: "De wereld in huis" werd "De wereld op zak"
In dit artikel:
Andries Knevel is niet optimistischer geworden over het mediagedrag van christenen sinds hij er ruim dertig jaar geleden boeken over schreef. De voormalige EO-presentator en -directeur waarschuwde in 1992 en 1993 dat televisie binnen orthodox-christelijke gezinnen een te grote plaats innam. Uit zijn onderzoek bleek dat veel christenen alleen stopten met kijken bij vloeken, terwijl geweld en overspel meestal geen bezwaar meer vormden. Volgens Knevel leidde onbeperkt kijken tot een geleidelijke aanpassing aan de mediacultuur van de rest van de samenleving. Alleen een strenge programmaselectie kon verantwoord gebruik mogelijk maken.
Knevel bleef bij de Evangelische Omroep werken omdat hij via positieve en missionaire programma’s invloed wilde uitoefenen in een samenleving waarin televisie breed werd geaccepteerd. Terugkijkend vindt hij dat de ontwikkelingen hem gelijk hebben gegeven. Na televisie volgden internet en sociale media, die volgens hem in de gereformeerde gezindte opvallend snel zijn omarmd. Dat kwam mogelijk mede doordat binnen deze kring veel ICT-bedrijven ontstonden. Als hij nu een boek zou schrijven, zou de titel volgens hem “De wereld op zak” kunnen zijn.
De kern van het probleem is volgens Knevel niet veranderd, maar versterkt. Televisie was zichtbaar in de huiskamer en ouders konden toezicht houden; smartphones en internet zijn overal beschikbaar, ook op plaatsen waar niemand meekijkt. Jongeren kijken steeds minder traditionele televisie, omdat online media sneller en flexibeler zijn. Tegelijkertijd wijkt het mediagebruik van veel christenen volgens Knevel vermoedelijk weinig af van dat van niet-christenen. Hij baseert dat niet op nieuw onderzoek, maar op zijn persoonlijke waarneming. Hoewel in veel reformatorische gezinnen geen televisie in de woonkamer staat, heeft vrijwel iedereen een mobiele telefoon met vaak onbeperkt internet.
Knevel ziet daarnaast een verband tussen massamedia en secularisatie. Televisie maakte andere leefwijzen, kerkgenootschappen en opvattingen zichtbaar en droeg volgens hem bij aan kerkverlating, naast factoren als de welvaartscultuur, het debat over geloof en wetenschap en het afnemen van het geloof in hel en oordeel. Prof. H.M. Kuitert stelde in 1966 dat televisie gereformeerden confronteerde met een bredere wereld, maar nuanceerde later dat vooral techniek en wetenschap de grote culturele omslag hadden veroorzaakt.
De geschiedenis van televisie binnen reformatorische kerken begon met grote terughoudendheid. De eerste Nederlandse uitzending vond plaats op 2 oktober 1951 vanuit Bussum. De Gereformeerde Gemeenten veroordeelden televisiebezit in 1953 krachtig en bevestigden dat standpunt in 1959; in sommige gemeenten kon bezit aanleiding zijn voor kerkelijke censuur. Volgens kerkrechtdeskundige W. Silfhout had dat beleid een beschermende werking: meerdere generaties bleven daardoor lange tijd buiten bereik van veel schadelijke programma’s. Door internet en televisie steeds meer in elkaar overvloeien, is die lijn echter moeilijk vol te houden.
Knevel noemt de reformatorische zuil desondanks “goud” omdat zij op veel terreinen haar identiteit heeft weten te bewaren. Binnen zo’n hechte gemeenschap is het volgens hem gemakkelijker om terughoudend met nieuwe media om te gaan dan voor christenen die alleen staan. Deskundigen benadrukken daarbij dat jongeren niet alleen regels nodig hebben, maar ook moeten leren omgaan met verleiding, verslaving en ongewenste inhoud. Onderzoek uit de jaren tachtig en negentig liet al een duidelijke generatiekloof zien: ouders wilden televisie en bioscoopbezoek weren, terwijl jongeren daar veel minder bezwaren tegen hadden. De discussie over moderne media blijft daarom volgens de betrokkenen nodig, niet alleen vanuit techniek, maar vooral vanuit de vraag welke invloed media hebben op geloof, gezin en levensstijl.
Vandaag Inside: Wierd Duk: 'Eigenlijk is de VVD gewoon een soort filiaal van D66!'