7 vragen aan... Anna Enquist: 'De beste schrijver van mijn generatie is Frans Thomèse: een ongeëvenaarde stylist'
In dit artikel:
Anna Enquist (1945) — schrijfster, dichter en psychoanalyticus die jarenlang als docente aan het conservatorium werkte — publiceerde vorige maand haar nieuwe roman Het einde van Erna Ankersmit. Het verhaal volgt de geleidelijke ontluiking van een vriendschap tussen een oudere schrijfster en een thuiszorgmedewerkster, die uiteindelijk samen een wandeltocht langs de muur van Hadrianus in Engeland maken.
In een korte interviewrubriek op 20 maart 2026 geeft Enquist ook leestips en literaire voorkeuren. Voor de Boekenweek raadt ze De overbodigen van Herman Koch aan: een strak geconstrueerde, vermakelijk kwaadaardige roman. Als uitblinker van haar generatie noemt ze Frans Thomése vanwege zijn ongeëvenaarde stijl en veelzijdigheid; ze vindt dat hij al lang de P.C. Hooft-prijs had moeten krijgen (deze prijs is een van de belangrijkste literaire onderscheidingen in Nederland).
Persoonlijke literaire beïnvloedingen zijn vroeg en gevarieerd: als kind raakte ze diep onder de indruk van Rie van Rossums De kloof zonder brug, en later opende Op weg naar het einde haar ogen voor het vermogen om zware thema’s ook hilarisch te behandelen. Over de volgende generatie schrijvers zegt ze dat ze vooral over wat hen werkelijk raakt moeten schrijven — zonder betrokkenheid is een boek volgens haar niet te lezen.
Als favoriete klassieker noemt ze de Old Filth-trilogie van Jane Gardam, die volgens haar zware thema’s op een alledaagse, ontroerende manier aankijkt. Voor voorlezen aan kinderen en kleinkinderen beveelt ze het werk van Annie M.G. Schmidt aan (Pluk, Otje, Abeltje). Op haar nachtkastje liggen momenteel Het gore lef (Sarah Arnold), Postkamer (Ingmar Heytze) en Kilometer 101 van de uitgeweken Rus Maxim Osipov.