7 procent, zoals minister Gennez zei, of slechts 0,7 procent? Waarom de cijfers over de loonkloof zo verschillen 

maandag, 16 maart 2026 (16:21) - VRT Nieuws

In dit artikel:

Vlaams minister van Gelijke Kansen Caroline Gennez kondigde in De Zevende Dag strengere stappen aan tegen loondiscriminatie en herhaalde dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in België nog steeds 7 procent bedraagt. Ze wil voortaan boetes kunnen opleggen aan werkgevers die doelbewust verschil in beloning toepassen; die maatregel vloeit voort uit de omzetting van de EU-richtlijn over loontransparantie. Haar uitspraak kreeg meteen tegenwind van onder meer werkgeversorganisatie Voka en van Vlaams minister-president Matthias Diependaele, die benadrukte dat de nieuwe sancties alleen gelden voor werkgevers waar Vlaanderen bevoegd voor is (Vlaamse administratie, lokale besturen en scholen), en dat de federale regelgeving voor de brede private markt blijft gelden.

De discussie draait om twee verschillende cijfers voor 2023: het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen berekent een kloof van 7 procent (gemiddeld bruto jaarloon: €46.218 voor vrouwen tegenover €49.670 voor mannen). Dat cijfer houdt rekening met arbeidsduur: veel vrouwen werken deeltijds, en zonder die correctie zou het verschil oplopen tot 19,5 procent. Statbel, het nationale statistiekbureau, publiceert echter een geharmoniseerde genderloonkloof van 0,7 procent gebaseerd op de Eurostat-methode. Dat cijfer kijkt naar het bruto uurloon binnen een selectie van economische activiteiten en alleen bij ondernemingen met minstens tien werknemers, waardoor de populatie anders is en de uitkomst doorgaans lager ligt.

Het grote contrast tussen 7 en 0,7 procent volgt dus vooral uit verschillen in definities en meetmethodes. Statbel zelf waarschuwt dat de Eurostat-methode lagere loonkloofcijfers oplevert omdat er geen herberekening gebeurt voor beroepen waarin de werkelijk gewerkte uren sterk afwijken van contractuele uren. In onderwijs bijvoorbeeld – een sector met veel vrouwen – worden alleen de directe lesuren meegeteld; telt je het werkelijke uurloon volledig mee, dan stijgt de kloof in sommige berekeningen naar 4,7 procent. Het Instituut voor de Gelijkheid beschouwt de 0,7 procent als een onderschatting: wie verschillen in arbeidsduur, functie, sector of opleiding 'uitzuivert' kan systemische ongelijkheden en mogelijke discriminatie onzichtbaar maken.

Experts wijzen erop dat loondiscriminatie slechts één van meerdere oorzaken is van de loonkloof. Factoren zoals sectorale segregatie, deeltijdwerk (en de vaak lagere kwaliteit daarvan), minder doorstroom van vrouwen naar topfuncties en zorgtaken spelen ook een rol. Tegelijk wordt België relatief goed geplaatst binnen Europa, onder meer doordat lonen hier grotendeels via collectieve arbeidsovereenkomsten worden vastgesteld, waardoor directe loonverschillen minder makkelijk kunnen ontstaan; verschillen verschuiven soms naar extralegale voordelen of andere complexere aspecten.

De trend is dat de kloof over tijd kleiner wordt: in tien jaar tijd is de loonkloof gedaald met bijna 6,8 procentpunt, en bij jongere werknemers verdienen vrouwen inmiddels licht meer dan mannen, grotendeels door hogere opleiding. Toch blijven er levenslange gevolgen: loonkloof vertaalt zich in een pensioenkloof die vrouwen harder treft.

Kortom: het uiteenlopen van 7 versus 0,7 procent is vooral een meetprobleem met belangrijke beleidsimplicaties. De aankondiging van Gennez om boetes voor opzettelijke discriminatie in te voeren (binnen Vlaamse bevoegdheid) sluit aan bij de EU-eis tot meer loontransparantie. Welke cijfers beleidsmakers gebruiken bepaalt welke problemen zichtbaar zijn en welke maatregelen als prioriteit gelden — van handhaving tegen discriminatie tot structurele maatregelen zoals betaalbare kinderopvang en ondersteuning voor werkende ouders.