5 uilen van taiga en toendra
In dit artikel:
De tekst schetst vijf opmerkelijke uilensoorten uit de noordelijke bossen en toendra’s, en laat zien hoe goed ze zijn aangepast aan een leven in koude, voedselarme gebieden. De dwerguil is de kleinste van het stel: een piepkleine jager die vooral muizen en zangvogels vangt, maar zelf ook ten prooi kan vallen aan grotere uilen. Deze soort breidt zijn leefgebied al jaren noord- en westwaarts uit en broedt inmiddels zelfs in België; in Nederland blijft hij zeldzaam.
Daarna komt de Laplanduil aan bod, een van Europa’s grootste uilen. Zijn opvallende gezichtspluim werkt als een soort geluidsversterker, waardoor hij prooien zoals woelmuizen zelfs onder dik sneeuwdek kan opsporen en grijpen. De bekende sneeuwuil is eveneens een specialist van het hoge noorden: hij leeft vooral van lemmingen en kan bij voedseltekort enorme afstanden afleggen, soms tot ver buiten zijn normale gebied. Af en toe belandt zo’n zwervende vogel zelfs in Nederland.
Ook de sperweruil krijgt aandacht. Door zijn gestreepte verenkleed en lange staart lijkt hij op een roofvogel, en hij jaagt niet alleen ’s nachts maar ook overdag, zodat hij in de korte noordelijke zomer voldoende voedsel vindt. Tot slot wordt de oeraluil beschreven als een felle verdediger van het nest. Die grote bosuil, verspreid van Scandinavië tot Japan, valt indringers hard aan en voedt zich vooral met kleine zoogdieren en vogels, waaronder soms zelfs andere uilen.
De Oranjezomer: Leontien van Moorsel uit zorgen over Tour de France: 'Dit is niet verantwoord'