5.600 liter brandstof per uur voor één straaljager: wat doen al die oorlogen met het klimaat?
In dit artikel:
Maarten Keulemans (wetenschapsredacteur bij de Volkskrant) bespreekt hoe een oorlog aanzienlijke klimaateffecten heeft die zich in grofweg drie fasen ontvouwen: de directe militaire fase, de wederopbouwfase en de langdurige economische/geopolitieke nasleep.
Direct tijdens de gevechten zijn de emissies groot: vliegtuigen, tanks, schepen en logistieke operaties verbruiken enorme hoeveelheden fossiele brandstof, en daarnaast ontstaan uitstoot door verwoesting van infrastructuur en branden. Ook massale verplaatsingen van mensen en goederen dragen bij aan extra CO2-uitstoot.
In de wederopbouwfase speelt bouwmateriaal een hoofdrol. Met name beton (en de cementproductie daarvan) genereert veel CO2, omdat het maken van cement zeer energie-intensief en chemisch-emissief is. Het herstel van steden, wegen en energie-infrastructuur betekent daarom een forse éénmalige emissiepieken.
Op langere termijn beïnvloedt een oorlog de energietransitie via markten en politiek: veranderingen in olie- en gasprijzen, hernieuwde afhankelijkheden van fossiele brandstoffen, en toegenomen defensiebestedingen kunnen zowel remmend als versnellend werken op investeringen in schone energie. Welke kant het opgaat hangt af van beleidskeuzes, economische gevolgen en geopolitieke verschuivingen.
Keulemans benadrukt daarmee dat de klimaatkosten van oorlog verder reiken dan directe slachtoffers en materiële schade: oorlogen laten een belangrijke, maar vaak onderbelichte, ecologische voetafdruk na. Voor beleidsmakers en planners is het relevant om die drie fasen mee te wegen bij risicobeoordelingen en bij het inrichten van hersteltrajecten richting duurzamere oplossingen.