40-jarige gooide vuurwerk naar gezicht handhavers - supersnelrecht is "lang niet altijd effectief"

zondag, 4 januari 2026 (12:37) - Dagelijkse Standaard

In dit artikel:

Een 40‑jarige man uit Eindhoven moet woensdag in Den Bosch terechtstaan tijdens een supersnelrechtzitting. Hij wordt ervan verdacht vuurwerk naar handhavers te hebben gegooid tijdens de afgelopen jaarwisseling. Die zaak is voorlopig de enige supersnelrechterlijke behandeling die verband houdt met de grootschalige ordeverstoring rond oud en nieuw, terwijl ruim 250 mensen zijn aangehouden voor onder meer geweld tegen hulpverleners, het plaatsen van molotovcocktails onder politieauto’s en het terroriseren van wijken.

Het artikel constateert dat het beloofde snelle recht optreden veel minder doeltreffend blijkt dan aanvankelijk werd voorgespiegeld. Supersnelrecht is bedoeld voor eenvoudige zaken waar weinig onderzoek nodig is en waarbij de verdachte instemt met een versnelde procedure, zodat zaken binnen enkele dagen kunnen worden afgerond. In de praktijk kleven daar echter belangrijke nadelen aan: de beperkte voorbereidingstijd kan ten koste gaan van een zorgvuldige verdediging en degelijk onderzoek, en de maatregel leent zich makkelijk voor symbolische rechtszaken bedoeld om politieke of publieke verontwaardiging te adresseren.

Critici — en een bericht in De Telegraaf — stellen dat veel van de supersnelrechtzittingen vooral een voorstelling van harde aanpak zijn, terwijl de echte omvang van vervolging en strafoplegging beperkt blijft. Tot nu toe is het merendeel van de 250 arrestanten nog niet in snelprocedures voor de rechter verschenen; sommige verdachten zitten nog vast, maar over aantallen en vervolgstappen ontbreekt volgens de schrijver transparantie. Waar de regering en justitie oproepen tot zwaardere straffen richting geweldplegers, worden bij de politierechter vaak taakstraffen opgelegd, iets wat bij veel lezers en politici als onvoldoende wordt gezien.

In Den Haag wordt er gewerkt aan een verbod op taakstraffen voor wie hulpverleners belaagt. Minister Foort van Oosten van Justitie en Veiligheid heeft aangeven dat enkel taakstraffen voor dit soort feiten niet passend zijn. De tekst bekritiseert echter de vaagheid van dat voornemen en het tempo van politieke besluitvorming: het kan nog lang duren voordat een dergelijk verbod er daadwerkelijk komt.

De conclusie van het stuk is dat de huidige aanpak weinig afschrikwekkend werkt: capacity‑problemen bij politie en justitie, het risico van vrijblijvende en symbolische maatregelen, en het vooruitzicht dat veel daders met lichte straffen wegkomen. Tegelijk bevat de oorspronkelijke publicatie scherpe retoriek en oproepen tot steun en donaties, waarmee de mening van de auteur en de oplopende maatschappelijke verontwaardiging nadrukkelijk naar voren komen.