4 mei-voordracht journalist Judith Zilversmit: wat stilte met zich meedraagt

maandag, 4 mei 2026 (22:02) - Het Parool

In dit artikel:

Journalist Judith Zilversmit hield op maandag 4 mei in de Nieuwe Kerk de jaarlijkse 4 mei-voordracht voorafgaand aan de Nationale Herdenking op de Dam. Ze verweeft persoonlijke familiegeschiedenis met observaties over de hedendaagse positie van Joods leven in Nederland en roept op tot actief burgerschap om ruimte en veiligheid voor Joden te herstellen.

Zilversmit begint bij haar jeugd: elk jaar liep ze met haar gezin naar het Verzetsmonument op de Apollolaan om twee minuten stilte te houden. Haar vader, Hans Zilversmit, overleefde de oorlog na jaren onderduiken; zijn levensverhaal legde hij later in losse documenten vast. Uit die papieren kwamen schrijnende details naar voren: de geleidelijke uitsluiting door stap-voor-stap-regels, het betaalde registreren van een ‘J’ in het bevolkingsregister, brieven van ontslag vanwege jood-zijn en de voortdurende angst tijdens onderduik. Een inval van de Gestapo in Luik leidde tot dramatische gebeurtenissen waarbij familie verminkte of gedeporteerd werd; haar vader ontsnapte, anderen keerden niet terug.

Een moderne impuls tot heronderzoek kwam tweeënhalf jaar geleden, toen de kleindochter van de vrouw die haar vader verraden zou hebben contact opnam via Instagram. Die confrontatie zette Zilversmit aan tot het maken van de podcast Het verraad van de familie Zilversmit. Tijdens dat onderzoek vond ze in dozen met brieven, formulieren en lijsten vele alledaagse bewijzen van uitsluiting en bureaucratische ontmenselijking. Niet één schokkend moment maar een opeenstapeling van regels en medewerkend onverschilligheid maakte het onaanvaardbare acceptabel, aldus haar ontdekking.

Zilversmit koppelt die geschiedenis expliciet aan het heden: ze signaleert een toename van incidenten tegen Joodse personen en instellingen, een klimaat waarin Joods-zijn minder vrijblijvend voelt en waarin mensen zich genoodzaakt zien hun identiteit te verbergen—zoals een verre neef die tijdelijk zijn naambordje wegnam en een vriendin die haar mezoeza verwijderde uit angst. Online en offline verschijnen bagatelliserende, ontmenselijkende reacties op herdenkingen en op Joodse stemmen; kunstenaars en sprekers worden geweerd of moeten onder strikte beveiliging werken. Deze normalisering van het abnormale verontrust haar, en ze bekent dat ook zij er niet meer automatisch van opkijkt — iets waar ze zich tegen wil verzetten.

Voor oplossingen pleit Zilversmit niet alleen voor meer educatie en culturele zichtbaarheid van Joods leven, maar vooral voor gezamenlijke verantwoordelijkheid: Joods en niet-Joods samen moeten ruimte maken zodat Joods leven niet alleen herdacht, maar ook levend en zichtbaar kan zijn. Ze illustreert hoopvolle signalen: de tentoonstelling Mokum – Biografie van Joods Amsterdam laat zien hoe verweven Joodse woorden en tradities zijn met de stad en gaf haar positieve reacties van Amsterdammers. Kleine persoonlijke herstelmomenten kwamen terug in haar onderzoek: het naambordje hangt weer en de mezoeza is terug op de deur.

Zilversmit legt de nadruk op de functie van herdenken: meer dan ritueel terugkijken, het is een instrument om het heden te voelen, naar elkaar te luisteren en verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. In haar slotmomenten noemt ze zowel degenen die vermoord werden als overlevenden binnen haar familie; door hun namen te blijven noemen houdt zij hun bestaan levend. Ter afsluiting meldt ze dat op 5 mei haar bundel met de 4 mei-voordracht en overige overdenkingen verschijnt bij Thomas Rap.

Kortom: Zilversmit gebruikt persoonlijke herinnering en archiefonderzoek om een brug te slaan tussen bezettingsgeschiedenis en actuele antisemitische trends. Haar boodschap is een oproep tot waakzaamheid, empathie en actieve betrokkenheid zodat Joods leven zichtbaar, veilig en volwaardig kan blijven.