25 jaar geleden trouwden ze, hun trouwfoto's staan nu in de schoolboeken
In dit artikel:
Op 1 april 2001 om middernacht sneed Amsterdam letterlijk en figuurlijk in een nieuw hoofdstuk toen vier mannen- en vrouwstellen als allereerste ter wereld officieel in het huwelijk traden: Dolf Pasker en Gert Kasteel, Hélène Faasen en Anne‑Marie Thus, Peter Lemke en Frank Wittebrood, en Ton Jansen en Louis Rogmans. De bruidstaart met acht marsepeinen poppetjes en foto’s van de ceremonie bereikten binnen enkele uren voorpagina’s wereldwijd; journalisten schilderden het festijn soms bijna als een filmglamour-evenement, met limousines vervangen door kevers.
De openstelling van het huwelijk in Nederland was geen plotselinge wending maar het resultaat van decennia activisme en juridische voorbereiding. Henk Krol zette eind jaren zeventig de eerste stappen door een fonds en stichting voor gelijke relatierechten op te richten na campagnes tegen vijandige figuren in de VS. Jurist Jan Wolter Wabeke formuleerde wetsontwerpen en juridische strategieën, terwijl belangenbehartigers en journalisten – onder wie Krol bij de Gaykrant – de zaak op de politieke agenda hielden. Toen D66‑Kamerlid Boris Dittrich in 1994 voor het parlement de openstelling van het huwelijk als prioriteit koos, stuitte hij op veel weerstand: binnen het COC heerste aanvankelijk terughoudendheid, sommige christelijke partijen en delen van de VVD en PvdA waren kritisch, en politici vroegen zich af wat de meerwaarde zou zijn als alleen Nederland dat regelde. Uiteindelijk kwam de maatregel in het regeerakkoord van Paars‑II en staatssecretaris Job Cohen leidde de wet door beide Kamers.
Op de avond van 31 maart 2001 hing in de Amsterdamse raadzaal een feestelijke sfeer. Burgemeester Cohen sprak over het diepe gevoel van rechtvaardigheid dat de wetswijziging bracht; toen het middernacht werd klonk langdurig applaus. De gemeente viert op 1 april 2026 het 25‑jarig jubileum: de oorspronkelijke stellen worden geëerd en drie nieuwe koppels treden in het huwelijk. CBS‑cijfers laten zien dat in die kwart eeuw ruim 36.000 huwelijken tussen gelijkgeslachtelijke partners zijn gesloten; van de circa 2.400 koppels die in 2001 trouwden, zijn er nog ongeveer 1.100 samen. Inmiddels staat het homohuwelijk wettelijk toe in zo’n veertig landen; in 154 landen is het huwelijk (nog) beperkt tot man en vrouw.
NRC sprak twee van de oorspronkelijke paren, die hun rol als zichtbare pioniers belichten en tegelijk wijzen op blijvende zorgen. Dolf Pasker en Gert Kasteel uit Weesp werden onverwachte rolmodellen: hun foto’s belandden in schoolboeken, ze kregen positieve reacties op straat en werden soms gevraagd voor tv‑optredens. Tegelijk wijzen ze op de harde werkelijkheid elders: homoseksualiteit is nog illegaal in tientallen landen, in een aantal staten zelfs met zeer zware straffen. Reizen bracht hen recente confrontaties met die realiteit: in Gambia moesten ze zich als broers voordoen om veiligheid te behouden. Persoonlijke anekdotes illustreren de maatschappelijke verandering: Dolf vertelde over zijn ervaring als zaaddonor en het contact met donorkinderen, terwijl het stel ook de zorg van ouder worden en ziekte deelde toen Dolf laatst ernstig ziek was.
Hélène Faasen en Anne‑Marie Thus wonen bij Maastricht en kwamen als stel al snel in beeld omdat ze samen een kind hebben en zich actief inzetten voor regenboogouderschap. Voor hen was het huwelijk veel meer dan symboliek: juridische erkenning betekende praktische voordelen. Anne‑Marie, die kanker kreeg, ervaarde het verschil scherp; als echtgenote wordt ze nu automatisch bij medische beslissingen betrokken, wat voorheen administratieve en emotionele hobbels opleverde. Hun trouwjurken en ringen gingen naar musea, en ze werden internationaal geïnterviewd – zelfs in vergaderingen van Europese belangenorganisaties werd hun huwelijk gezien als een belangrijk signaal.
Beide paren benadrukken dat vooruitgang niet vanzelfsprekend is. Nederlandse opinieonderzoeken tonen aanvankelijk toenemende acceptatie van gender‑ en seksuele diversiteit, maar die beweging stokt op punten zoals het open tonen van intimiteit; tegelijkertijd kampen queer personen gemiddeld met slechtere mentale gezondheid. Politieke discussies over conversietherapie, transgenderzorg en het wettelijk regelen van meerouderschap blijven voortduren. Hélène en Anne‑Marie waarschuwen dat zwijgen publiek debat ruimte laat voor een kleine, maar luidruchtige tegenbeweging die via geweld of desinformatie rechten kan ondermijnen. Pasker en Kasteel onderstrepen dat persoonlijk contact en zichtbaarheid vaak positieve reacties opleveren, maar dat voor velen wereldwijd veiligheid en basisrechten nog ver weg zijn.
Kortom: het huwelijk van 1 april 2001 markeerde een mijlpaal die Nederland internationaal positioneerde als koploper in lhbtiq+-rechten en persoonlijk veel heeft veranderd voor de betrokken koppels. Tegelijk tonen de herinneringen en observaties van de pioniers aan dat wettelijke erkenning een essentieel maar niet afdoend middel is; maatschappelijke acceptatie, wettelijke verdere stappen (zoals meerouderschap) en wereldwijde vooruitgang blijven onvoltooid werk.