Met de komst van grote sportevenementen zoals het EK duiken Spaanse vlaggen weer op aan balkons en gevels in het hele land. Deze steunbetuiging aan het nationale elftal onder leiding van Luis de la Fuente wordt vaak nog sterker als de resultaten meezitten.
De officiële vlag heeft drie horizontale banen: rood boven, geel of goudgeel in het midden en rood onder. De middelste baan is twee keer zo breed als elke rode baan. Dit eenvoudige ontwerp is uitgegroeid tot een van de meest herkenbare symbolen van het land.
Koning Karel III vaardigde op 28 mei 1785 een decreet uit dat het huidige kleurenschema vastlegde. Het belangrijkste doel was om Spaanse schepen te onderscheiden van die van andere mogendheden, die destijds vooral witte vlaggen voerden. Decennia later, tijdens het bewind van Isabella II, kreeg hetzelfde ontwerp in 1843 de status van nationale vlag.
De meest gangbare verklaringen verbinden het rood met het koninkrijk Castilië en het geel met de wapens van de Kroon van Aragón. Een andere uitleg wijst op de hoge zichtbaarheid van deze kleuren op zee, de reden waarom ze aanvankelijk voor maritiem gebruik werden gekozen.
Op de gele baan staat het wapen dat eeuwen geschiedenis samenvat. Bovenaan prijkt een koninklijke kroon die de continuïteit van de Spaanse monarchie symboliseert. De kwartieren en heraldische elementen verwijzen naar de unie van de verschillende koninkrijken die het huidige grondgebied vormden.
Al met al verbeeldt de vlag met haar kenmerkende kleuren en centrale wapen zowel de nationale eenheid als het erfgoed van een historische diversiteit die nog steeds in het collectieve geheugen leeft.