Een sociale rechtbank in Vigo heeft de financiële vordering afgewezen van een werkneemster die via een WhatsApp-bericht werd ontslagen door de bestuurder van een desinfectiebedrijf met wie zij een relatie had. De rechter oordeelde dat de taken van de eiseres een familiair karakter hadden en geen gewone arbeidsrelatie vormden, waardoor de inhoud van de eis van 13.068 euro niet hoefde te worden beoordeeld.
De relatie tussen beiden begon in 2020, toen de vrouw werkloos was. Twee jaar later trad zij als administratief medewerker in dienst bij twee vennootschappen die door haar partner werden geleid en schreef zij zich in als zelfstandige om haar taken uit te voeren. In die periode bekleedde de werkneemster een prominente positie binnen de organisatie.
Sommige collega’s zagen haar als een soort leidinggevende vanwege de ruime managementbevoegdheden die haar waren toegekend. Zij kwam niet voor op de vakantieroosters van de rest van het personeel, viel samen met de bestuurder in haar rustperiodes, had geen vast rooster en gaf instructies aan andere werknemers. Haar salaris werd gestort op een gezamenlijke bankrekening met de eigenaar van de vennootschappen.
De uitspraak benadrukt dat de bestuurder haar ongeveer een jaar voor het einde van de relatie een notariële volmacht verleende om namens de vennootschap op te treden. Daaronder vielen het openen van bankrekeningen, het opnemen en storten van gelden en het ondertekenen van cheques.
Toen de relatie ten einde liep, deelde de ondernemer de vrouw via WhatsApp mee dat zij de sleutels van het bedrijf moest achterlaten en dat het niet nodig was dat zij terugkeerde naar haar functie. Na het ontslag diende zij een vordering in van 13.068 euro voor basissalaris, vakantiegeld en vrijwillige vergoeding, bedragen die zij volgens de toepasselijke cao nog tegoed meende te hebben.
De Sociale Rechtbank nummer 1 van Vigo aanvaardde het verweer van de vennootschappen inzake onbevoegdheid. De rechter concludeerde dat de activiteiten van de eiseres een familiair karakter hadden en dat er daarom geen gewone arbeidsrelatie bestond. Bijgevolg ging de rechtbank niet over tot inhoudelijke beoordeling van de financiële vordering.