Spanje telt ongeveer 3,6 miljoen mensen die in de publieke sector werken. Daarvan hebben slechts 1,5 miljoen een ambtenarenexamen afgelegd en de status van vaste ambtenaar. Dit verschil weerspiegelt de verscheidenheid aan arbeidsvormen die naast elkaar bestaan binnen de verschillende overheidsniveaus van het land.
De autonome gemeenschappen herbergen het grootste deel van deze werknemers, met 63 procent van het totaal. Daarna volgen de lokale overheden met 20 procent en de centrale overheid met 17 procent. Deze structuur benadrukt het belang van de regionale besturen bij het leveren van publieke diensten.
Het gemiddelde brutomaandsalaris van een ambtenaar in Spanje bedraagt ongeveer 2.500 euro. Dit bedrag varieert afhankelijk van het opleidingsniveau dat voor de functie vereist is en de anciënniteit van de werknemer.
De econoom Santiago Calvo heeft deze cijfers onderzocht om te bepalen of Spanje veel of weinig ambtenaren heeft. Zijn conclusies zijn opmerkelijk: het overheidsdienstverband komt neer op 15,2 procent van de totale werkgelegenheid, onder het EU-gemiddelde van 18,5 procent.
De beloning van deze werknemers vertegenwoordigt echter 10,8 procent van het bbp, een cijfer dat hoger ligt dan het Europese gemiddelde van 10,2 procent. Calvo vat de situatie samen als een relatief kleine staf met een iets hogere kostenpost ten opzichte van het bbp.
Relatief kleine staf en iets hogere kosten ten opzichte van het bbp
De uitspraken van Calvo hebben discussie opgeroepen op sociale media. Sommige gebruikers bekritiseren de baanzekerheid van ambtenaren en stellen de gebrekkige verantwoording aan de kaak. Anderen wijzen erop dat het napoleontische model van examens en vaste aanstellingen directe vergelijkingen met andere Europese landen bemoeilijkt.