Paris Saint-Germain heeft opnieuw geschiedenis geschreven in het Europese voetbal. Voor het tweede jaar op rij heeft het team onder leiding van Luis Enrique zich tot kampioen van de Champions League gekroond, een prestatie die alleen het Real Madrid van Zinedine Zidane eerder had bereikt en die hij drie keer achter elkaar wist te behalen.
Sinds de finale in Lissabon in 2014 was geen enkel team er meer in geslaagd de Europa Cup te winnen na een achterstand in de wedstrijd. De statistiek leek onbreekbaar: wie als eerste scoorde, tilde uiteindelijk de beker. Alleen een treffer van Sergio Ramos in de blessuretijd tegen Atlético Madrid doorbrak destijds die trend, maar sindsdien bleef de tendens intact tot deze avond.
De Parijse ploeg is de eerste die die tendens heeft omgebogen. Na een vroege tegengoal in de finale bleef PSG overeind, kwam gelijk en besliste de titel in de strafschoppenreeks. Zo heeft de ploeg van Luis Enrique de prestatie van het Zidane-Madrid geëvenaard en aangetoond dat collectief voetbal elke voorspelling kan trotseren.
Wat dit PSG onderscheidt, is de manier waarop het als een hecht blok speelt. Zonder te leunen op individuele sterren wist het team de druk te beheersen en het geluk van de kampioen te benutten, vooral in de strafschoppen. De beslissende reeks deed denken aan die tussen Real Madrid en Atlético in 2014, toen de Madrilenen hun elfde beker veroverden.
Naast de comeback leverde de wedstrijd nog een opvallend gegeven op: het was de eerste finale sinds het duel tussen Real Madrid en Liverpool in 2018 waarin beide teams scoorden. Alle tussenliggende finales werden beslist met slechts één team op het scorebord, maar ook die reeks heeft PSG doorbroken.
Met deze zege verstevigt Luis Enrique zijn nalatenschap als trainer van PSG en bewijst hij dat geduld en collectief werk zelfs de meest hardnekkige statistieken in het Europese voetbal kunnen breken.