Twee Amerikaanse economen wier onderzoek de manier waarop beleidsmakers economische stabiliteit begrijpen na de oliecrises van de jaren zeventig heeft veranderd, hebben de Nobelprijs voor de Economische Wetenschappen gekregen. Robert E. Hall van Stanford University en Michael Woodford van Columbia University delen de prijs voor hun bijdragen aan de micro-economische fundamenten van macro-economische stabilisatie.
De Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen maakte de toekenning maandag bekend in Stockholm. De twee delen de 12 miljoen Zweedse kronen, ongeveer 1,2 miljoen dollar. De onderscheiding erkent werk dat voortbouwt op de ideeën van John Maynard Keynes als reactie op grote aanbodschokken van decennia geleden.
Hall kreeg erkenning voor een paper uit 1978 waarin hij onderzocht hoe huishoudens de voorkeur geven aan een stabiel consumptieniveau in de tijd. Zijn inzichten hielpen uitgavenpatronen tijdens periodes van economische onzekerheid te verklaren en legden de basis voor latere modelleringsinspanningen.
Woodford bouwde hierop voort door het invloedrijke New Keynesiaanse model te creëren. Het kader blijft een belangrijk instrument voor centrale banken en overheden wereldwijd bij de analyse van inflatie, rentetarieven en reacties op economische verstoringen.
Het is een enorme eer. Het is een verrassing, maar ik voel me er erg goed over.
John Hassler, voorzitter van het prijzengremium, merkte op dat het onderzoek van de laureaten een betrouwbare theoretische basis levert voor de modellen die nu door monetaire autoriteiten wereldwijd worden gebruikt. Het werk verbetert het vermogen om schokken zoals energiecrises of abrupte verschuivingen in huishoudelijke uitgaven op te vangen.
De Zweedse centrale bank stelde de prijs voor economie in 1968 in. Hij wordt elk jaar uitgereikt samen met de oorspronkelijke Nobelcategorieën die door Alfred Nobel zijn gecreëerd. Dit jaar steeg het prijzengeld met een miljoen kronen per categorie ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de prijzen.